Streep onder hulp Suriname

AAN EEN STAARTJE neo-koloniale overschatting komt op 1 augustus een einde.

De Nederlandse regering heeft besloten om de steun voor de betalingsbalans aan Suriname te staken. Humanitaire en andere vormen van ontwikkelingshulp worden wel voortgezet. De steun voor de betalingsbalans (simpel gezegd: geld voor de grote pot in Paramaribo) was met een bedrag van driehonderd miljoen gulden de grootste afzonderlijke toezegging in het Raamverdrag inzake Vriendschap en nauwere Samenwerking dat Nederland en Suriname vorig jaar juni hebben gesloten. Als tegenprestatie verplichtte Suriname zich de economie aan een veel te lang uitgesteld saneringsprogramma te onderwerpen. Daar is niets van terechtgekomen.

De Nederlandse steun voor de betalingsbalans, bedoeld als aanmoediging, heeft niet als zodanig gewerkt. Het geld - tot nu toe 66 miljoen gulden - is verdwenen in veilingen om de koers van de Surinaamse munt te ondersteunen. Bij uitblijven van economische aanpassingen is dat weggegooid geld, een premie voor speculanten en een alibi om saneringen uit te stellen. Ten aanzien van de Surinaamse economie heeft het Nederlandse ontwikkelingsbeleid onvoldoende gewicht om aanpassingen af te dwingen. Het is daarom heel verstandig om de uitwerking, het toezicht en de financiering, met de bijbehorende voorwaardelijkheid, van het Surinaamse aanpassingsprogramma over te laten aan de twee instellingen die hierin zijn gespecialiseerd: de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds. Die kunnen Suriname dwingen zijn huiswerk te doen.

DOOR DE aanhoudende nationale koestering van Suriname als een tropische Bijlmermeer die met een bruidsschat van miljarden guldens in 1975 onafhankelijk werd gemaakt, hebben het IMF en de Wereldbank nog nooit bemoeienis met Suriname gehad. Dat is een uitzonderlijke situatie die zich in geen ander ontwikkelingsland voordoet. Andere Europese landen onderhouden wel bijzondere banden met hun oud-koloniën, maar houden het IMF of de Wereldbank niet buiten de deur zoals Nederland in het geval van Suriname dacht te kunnen doen. Suriname beschikt overigens over Nederlandse toezeggingen voor een vangnet onder de sociale gevolgen van hervormingen.

DE HULP die bij de onafhankelijkheid in 1975 is weggegeven door de toenmalige politiek verantwoordelijken in Den Haag - Den Uyl, Pronk en De Gaay Fortman - kent een onzalige complicatie. Inclusief garanties is toen een bedrag van 3,5 miljard gulden toegezegd, waarvan nog 1,3 miljard open staat. Zo'n pot geld is voor een land met amper een half miljoen inwoners, zonder bestuurlijke traditie, met machtige militairen en een zwakke economische infrastructuur, niet te verwerken. Nederland doet er het beste aan om het resterende bedrag waartoe het verdragsmatig verplicht is, op een spaarrekening te zetten en de rente jaarlijks over te maken. Van deze rente, zo'n tien miljoen gulden per maand, kan Suriname tot in lengte der jaren een bodem in zijn welvaartspeil leggen. Dan kan Nederland zich beperken tot specifieke projecten en een streep zetten onder de voortzetting van een speciale ontwikkelingsbehandeling van Suriname.