Slechte mensen

Wat veel mensen altijd al dachten, is nu ook door de wetenschap aangetoond: economen zijn betrekkelijk onaangename medemensen. Zij zijn veel zelfzuchtiger en minder geneigd tot samenwerking dan de rest van de mensheid. Dat economen bij velen in een kwaad blaadje staan, is niet verwonderlijk. Zij maken er immers een sport van roet in andermans eten te gooien. Wanneer een of andere belangenorganisatie ervoor pleit dat de overheid meer geld uittrekt om bepaalde zaken te subsidiëren, zijn economen er als de kippen bij om eraan te herinneren dat hierdoor de belastingdruk of het begrotingstekort zal oplopen. Zo niet, dan betekent een extra gulden subsidie voor de een dat er een gulden minder beschikbaar is voor de anderen. Die uitentreuren herhaalde boodschap dat de overheid, net als particulieren, een gulden maar één keer kan uitgeven, maakt de beroepsgroep weinig populair. Het heet - een beetje venijnig - dat economen van alles de prijs, maar van niets de waarde kennen. Dat beeld spookt in veel hoofden rond: de econoom als wandelende zakjapanner, met de mentaliteit van een superboekhouder.

Nu zijn er veel aardige economen. Maar zij kunnen het ook niet helpen dat hun wetenschap zich bedient van zo'n naargeestig mensbeeld. Tijdens hun opleiding leren zij dat eigenbelang de drijvende kracht is bij de onvermijdelijke keuzen die individuen en organisaties voortdurend moeten maken. En eigenbelang beweegt mensen vaak tot calculerend gedrag, het zet aan tot oneigenlijk gebruik van regelingen en tot het bezwendelen van soortgenoten. Volgens de economische theorie zullen rationeel handelende mensen elkaar bedriegen, wanneer de baten hoger zijn dan de kosten. Die kosten kunnen de vorm hebben van (de kans op) een geldboete, schade aan de eigen reputatie, of verlies van gevoelens van eigenwaarde. Door zulke kosten-baten redeneringen los te laten op het huwelijk en de beslissing een misdaad te begaan heeft Gary Becker de laatste Nobelprijs voor economie gewonnen. Altrusme is een verschijnsel dat moeilijk in deze denkwereld past.

Van hun tamelijk akelige kijk op de mensheid liggen economen niet wakker. Door een combinatie van hun aanleg en opleiding voelen zij zich aangetrokken tot een cynische kijk op het menselijk bedrijf. Dat wordt althans gesuggereerd in een recent artikel in de Journal of Economic Perspectives, dat de econoom Robert Frank samen met twee psychologen schreef. Dit artikel doet onder andere verslag van een experiment waarbij eerstejaars studenten een geldbedrag ontvingen. Zij mochten dit storten op een privé-rekening of in een gezamenlijke pot. De deelnemers wisten dat zij het geld op hun privé-rekening na afloop van het experiment mee naar huis mochten nemen. Het geld op de gezamenlijke rekening groeide tijdens het experiment aan en zou na afloop gelijkelijk over alle deelnemers worden verdeeld.

Het grootste voordeel voor de gehele groep ontstaat wanneer alle deelnemers al hun geld op de gemeenschappelijke rekening storten. Dan groeit de voor verdeling beschikbare koek, die vervolgens eerlijk wordt verdeeld, het meeste. De afzonderlijke student is het beste af wanneer hij al zijn geld op zijn privé-rekening stort. Hij krijgt dan het volle bedrag plus een evenredig aandeel uit de pot, die is gevuld door "domme' of naëve, coöperatiever ingestelde medestudenten. Uit dit experiment bleek dat economiestudenten gemiddeld twintig procent van hun geld in de gemeenschappelijke pot stopten, tegen studenten met een andere studierichting vijftig procent. Voor bijna alle niet-economie studenten was het eerlijk delen van de gezamenlijke pot een punt van overweging geweest. De economen-in-de-dop wilden desgevraagd niet ingaan op hun motieven, of zij gaven ontwijkende antwoorden.

Ander onderzoek wijst in dezelfde richting. Hoewel economiehoogleraren in de Verenigde Staten in verhouding veel verdienen, doen zij aanzienlijk minder giften dan collega's van andere faculteiten.

De economiestudie trekt - gemiddeld gesproken - kennelijk mensen aan met een bepaalde karakterstructuur. Bovendien blijkt dat economiestudenten in de loop van hun studie steeds calculerender worden. Toch moet de conclusie niet luiden dat het algemeen belang is gediend met een beperking van de toestroom naar de economiestudie. Maar economen moeten wel hun blikveld verwijden, door inzichten uit de psychologie in hun standaard gedragsveronderstellingen te verwerken. Mensen zijn gelukkig vaker geneigd om samen te werken dan wordt aangenomen in modellen die puur op eigenbelang zijn gebaseerd.

Psychologen kunnen de menselijke neiging tot samenwerking goed verklaren. Individuen blijken bij tests tamelijk goed te zijn in het herkennen van bedriegers en oplichters. Niemand gaat uiteraard met een zwendelaar in zee. Het is dus ieders eigen belang om niet toe te geven aan egostische impulsen en met anderen samen te werken.