Nooit meer naar huis terug

SARAJEVO, 27 JULI. Vanuit het beschadigde hotel waar ze nu woont kan Mulija Crnogrevic het huis zien dat ze meer dan een jaar geleden ontvluchtte, of althans wat ervan over is. Crnogrevic, 53, komt uit Sirokaca, een woonwijk op de helling van een heuvel die uitziet op Sarajevo en waar het nu te gevaarlijk is. Haar huis werd in mei vorig jaar door een granaat getroffen, waarna ze naar het Hotel Europa verhuisde. “Het zou makkelijker voor me zijn als ik ver weg zou zijn en het huis niet meer zou zien,” zegt ze.

Bij de twee miljoen Bosnische vluchtelingen begint het idee post te vatten dat ze nooit meer naar huis zullen kunnen gaan. De "etnische zuivering' die hen heeft verdreven is ongestraft gebleven en de Bosnische Serviërs, die zeventig procent van het grondgebied in handen hebben, voelen zich aangemoedigd op de verdeling van Bosnië in etnische ministaatjes aan te sturen.

Van de twee miljoen hebben er honderdduizenden een voorlopig onderdak gevonden in Kroatië en Westerse landen. Maar 740.000 vluchtelingen zijn binnen Bosnië op de vlucht. “Ik heb het gevoel dat we volkomen verlaten en vergeten zijn”, zegt Biba Kunovac. “De wereld maalt niet om ons.”

Hotel Europa, ooit een hotel van de eerste categorie, herbergt in zestig kamers 280 vluchtelingen. De drie bovenste verdiepingen zijn bij een brand in augustus vorig jaar - het resultaat van de inslag van granaten - verwoest. Mevrouw Kunovac woont hier met haar man en hun twee kinderen sinds mei vorig jaar, een maand nadat de oorlog begon. Vrienden die later volgden hebben verteld dat de Serviërs hun huis en hun schuur in Foca, in het zuidoosten, hebben platgebrand. Mevrouw Kunovac, 40, zou graag naar Foca terugkeren, maar niet als Foca komt te liggen in een autonome Bosnisch-Servische staat. “Onder die omstandigheden zou ik nooit terug gaan. Niet als zij de regels bepalen”, zegt ze. “We zijn één keer voor hun messen gevlucht. We zijn niet bereid dat risico nog eens te nemen.”

Peter Kessler, woordvoerder van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR, zegt dat het nog tientallen jaren kan duren voor de Bosnische moslims kunnen terugkeren naar de steden en dorpen die honderden jaren lang deel hebben uitgemaakt van hun cultuur. Maar elders zijn de vooruitzichten al evenmin hoopgevend. Westerse landen hebben laten weten dat ze niet méér vluchtelingen kunnen of willen herbergen. Steden als Sarajevo kunnen nauwelijks hun eigen inwoners herbergen, laat staan nieuwe. Het ontbreekt aan geld voor het herstel van de infrastructuur en de beschadigde woningen.

Galiba Karisik was op haar vierde vluchtelinge. Dat was in de Tweede Wereldoorlog. Op haar 54ste is ze het opnieuw. Ze woont met zeven familieleden in een flatje in Sarajevo na haar woonplaats Visegrad, bij de grens met Servië, te zijn ontvlucht. Ze vertelt van afgeslachte vrienden, van familieleden die gevangen zijn genomen, van een broer die vorig jaar door de Serviërs is opgepakt en van wie niemand sindsdien meer heeft vernomen. “Visegrad was voor de oorlog een beschaafde stad. We waren allemaal vrienden van elkaar - moslims, Serviërs, Kroaten.” Ze zegt: “Ik zou met heel mijn hart naar Visegrad willen terugkeren.”

Maar ze zàl niet naar Visegrad terugkeren, niet als de Serviërs hun zin krijgen met hun autonome staat waarvan Visegrad deel uitmaakt. “We hebben vijftig jaar nodig gehad om te vergeven wat ons in de Tweede Wereldoorlog is aangedaan”, zegt ze. “Soms denk ik dat we ditmaal vijfhonderd jaar nodig zullen hebben.” (AP)