Moslims uit Mostar zitten op eiland voor kust Kroatië; Veilig maar thuisloos: "we zijn oud in ons hoofd'

OBONJAN, 27 JULI. Eerst neem je in de haven van Sibenik, een nog steeds door Kroatische Serviërs bedreigde Kroatische kustplaats waar ze wel iets anders aan hun hoofd hebben dan zich te bekommeren om moslim-vluchtelingen uit Bosnië-Herzegovina, het veerbootje. Dan vaar je een uurtje door de archipel van Sibenik, kale en hete eilanden vol bunkers, nog van de Duitsers of van het twee jaar geleden verdreven Joegoslavische leger, en een indrukwekkend fort-gevangenis uit de tijd van Napoleon, de "Heilige Nicolaas' geheten. En dan kom je tenslotte bij het in de zon smorende eilandje Obonjan, eens een zomerkamp voor communistische pioniers.

Voorbij is echter de tijd van geloof in de toekomst en liederen van liefde voor kameraad Tito en vriendschap tussen de volkeren van Joegoslavië. Obonjan huisvest, sinds vorige week, de slachtoffers van een nieuw geval van etnische zuivering van de uiteenvallend en steeds verder in de greep van het geweld komende Balkan-staat: stedelijke moslims uit Mostar die - naar eigen zeggen - door het Bosnisch-Kroatische leger, de HVO, zijn weggezuiverd uit het deel van de stad waar de HVO de dienst uitmaakt, en een bijna dagelijkse straatoorlog voert met het moslim-leger, het "Leger van Bosnië-Herzegovina' op de andere oever van de Neretva.

Op 18 en 21 juli zijn ze op het eilandje aangekomen, eerst een groep van 390, daarna een van 180: mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden, zonder bedden levend in tenten. Het eten is er goed, vertellen ze, en er stroomt per dag anderhlaf uur drinkwater uit de kraan, van negen tot half tien 's ochtends en van vijf tot zes uur 's middags. Om het eiland af te komen hebben ze een pasje nodig, voor een dag, en zonder een mogelijkheid om buiten Sibenik te komen, want de meesten hebben geen papieren meer, afgenomen en voor hun ogen verscheurd door soldaten van de HVO.

Administratief lijkt deze stedelijke gemeenschap - van de professor in de geneeskunde tot de vrachtwagenchauffeur - alleen nog te bestaan bij de gratie van een door een hunner in een schriftje met het opschrift "algebra' bijgehouden lijst met namen, sinds ze met duizenden anderen op 30 juni door de HVO op het helikoptervliegveld van Mostar werden genterneerd. Er zijn niet alleen moslims onder hen, suggereren de namen in het schriftje, maar ook, vooral door gemengde huwelijken, Serviërs en Kroaten. Ook zijn er Kroaten die niets van de HVO moesten hebben en als "slechte Kroaten' het lot van de moslims delen.

Een verbanning naar een onbewoond eiland, daar lijkt het een beetje op, maar de vluchtelingen hier zijn over het algemeen blij aan de gruwelen van Mostar te zijn ontsnapt, terwijl duizenden lotgenoten, zeggen ze, op het helikoptervliegveld en in andere gevangenissen in Mostar zijn achtergebleven. De Kroatische politieagent van het eiland mogen ze graag, vertellen ze, “hij doet, net als de directeur van dit kamp, alles om ons te helpen en lijkt zelf ook maar nauwelijks te kunnen bevatten wat ons is overkomen”. Diezelfde agent, door de bezoekende journalist uit zijn siesta gewekt, begroet ons vriendelijk. Alleen als we willen blijven slapen op het eiland, zegt hij, dan moet er net als overal in het buitenland even worden geregistreerd.

Slechts een enkeling uit Mostar geeft te kennen Obonjan als "weer een gevangenis' te beschouwen. De meesten korten de tijd aan het strand, een beetje zwemmen en bijkomen van de schrik. En vooral met de eindeloze bespreking van de belevenissen van de laatste maanden in Mostar, met vragen wie waar is - behalve naar dit eiland zijn ook moslim-gevangenen overgebracht naar het kamp Gasinci en een kazerne bij Varazdin. En natuurlijk de grote open vraag, hoe hun leven verder moet gaan. Zullen ze hier bijvoorbeeld, als het winter wordt, nog zitten?

De groep heeft een hunner, de man met het schriftje, als woordvoerder aangewezen, maar al spoedig zitten er tientallen mensen door elkaar heen op de boomstronken tussen de tentjes hun verhaal te vertellen. Hun drama begint op 9 mei, als de HVO, die van Mostar de hoofdstad van hun eigen quasi-staat Herceg-Bosna wil maken, op grote schaal mannen arresteert waarvan men denkt dat die zich tegen de Kroatische plannen zouden verzetten, vooral moslims dus. Volgens de vluchtelingen worden er wel tien- of twaalfduizend mensen opgesloten, voornamelijk in het stadion van Mostar. Sommigen worden, tegen hun wil of door de noodzaak hun voedselrantsoenen te verbeteren, ingezet voor gevaarlijk werk aan de diverse fronten in de streek, bijvoorbeeld het graven van loopgraven. “We werden ook op allerlei manieren mishandeld. Wie bijvoorbeeld het Kroatische volkslied "Ljepa nasa' niet kon zingen, kreeg slaag. Er werd ons steeds maar ingepeperd: Dat Bosnië van jullie bestaat niet meer, dit is Kroatische grond. Die moesten we dan aanraken”.

In mei zijn de VN-vredesmacht UNPROFOR, de VN-vluchtelingenhulp UNHCR en het Internationale Rode Kruis nog aanwezig in Mostar en het optreden van de HVO brengt grote beroering teweeg. Na een interventie van UNPROFOR-commandant Morillon volgt vrijlating. Maar dan wordt het bestaan van de moslims in Mostar pas echt gevaarlijk: nachtelijke invallen van de politie in huizen van moslims en andere de HVO onwelgevallige burgers bijvoorbeeld, en liquidaties. Moslims worden in feite uitgesloten van de door de katholieke organisatie Caritas verstrekte voedselhulp. Bewapende personen confisqueren bij huiszoeking vaak waardevolle voorwerpen. “Je moest dan een verklaring tekenen dat je de zaken cadeau deed en wee je gebeente, als je het garantiebewijs van de geconfisqueerde televisie niet meer kon vinden”.

Terwijl zich binnen de stad een steeds duidelijker scheidslijn tussen de HVO en bewapende moslim-eenheden begint af te tekenen - ieder op een oever langs de Neretva - voelen UNPROFOR en andere onpartijdige organisaties zich zo door de HVO bedreigd dat ze Mostar moeten verlaten, om daar tot op de dag van vandaag, enkele incidentele bezoeken daargelaten, niet terug te keren. Verhalen van verdrevenen als deze vormen voor de buitenwereld de voornaamste bron van informatie over wat er in Mostar gebeurd is en gebeurt. De HVO-versie van de gebeurtenissen maakt melding van een moslim-offensief tegen de Kroatische bevolking en stelt de interneringen voor als een maatregel ter bescherming van de Kroaten.

Op 30 juni volgt een nieuwe golf arrestaties, die al spoedig de gehele moslim-bevolking van Mostar op de door de HVO gecontroleerde rechteroever van de Neretva lijkt te betreffen. Niet alleen om mannen gaat het nu, maar ook om vrouwen, kinderen en bejaarden. Duizenden worden ondergebracht op het helikoptervliegveld van Mostar, maar ook de kelders van de faculteit van machinebouw, het stedelijk gymnasium en andere gebouwen zijn volgepakt met arrestanten. De vluchtelingen vertellen verhalen over mensen die in kelders worden platgedrukt en waarvan de lijken nog twee dagen blijven liggen. Over uitgestrekte handen uit kelderramen, waarin voorbijgangers sigaretten werpen totdat de opening door de HVO met planken wordt dichtgetimmerd. Over nachtelijke massabegrafenissen.

Op de avond van 17 juli krijgt de nu op Obonjan aanwezige groep van het helikoptervliegveld een formulier onder de neus gedrukt, met twee vragen en ruimte voor een handtekening: “Wilt u naar het buitenland? Wilt u een doorreisvisum door Kroatië?”. Na ondertekening krijgt men een uur de tijd om thuis de reisbenodigdheden op te halen. De huisdeur moet men vervolgens open laten. Maar vaakt loopt deze expeditie mis, want is het huis al door anderen, soms vijandig doende Kroaten bezet of gewoon leeggeroofd. Om twee uur 's nachts vertrekken eindelijk de bussen, 28 in getal waarvan een deel met bestemming Sibenik - maar daarover worden de reizigers aanvankelijk geheel in het ongewisse gelaten.

“De gehele weg stonden er op alle kruispunten politieagenten, eerst van de HVO, vervolgens van de Kroatische politie. Eenmaal op de kade van Sibenik werden we omsingeld door een politiekordon, dat het onmogelijk maakte de stad in te lopen om iets te kopen bijvoorbeeld. Tenslotte mochten we een schip op, dat ons naar dit eiland bracht”. Op Obonjan vertoeven inmiddels ook nog enkele honderden andere moslim-vluchtelingen, die soms al meer dan een jaar in hotels of kampen langs de Kroatische kust vertoefden. Ook bij hun verhuizing is het, zij het in een andere context, soms hardhandig toegegaan: ultimata, politie-intimidatie en de dreiging de status van vluchteling te verliezen, zoals in het geval van de vluchtelingen uit Hotel Rivièra in Makarska, die aanvankelijk uit protest tegen hun verdrijving uit de hotelkamers op 15 juli rond het hotel in de openlucht sliepen.

Wie op Obonjan de gelegenheid krijgt naar het buitenland (dat wil zeggen buiten Kroatië) te gaan, zal dat niet laten. Maar de kansen op zo'n vertrek lijken gering, zeker als de HVO je paspoort en andere bescheiden heeft verscheurd. De gedachte aan gewapende strijd of zelfs een terugkeer naar Bosnië lijkt niet erg te leven onder deze zichzelf nadrukkelijk als stedelijke moslims beschrijvende eilandbewoners. Hun hele cultuur was gericht op de multinationale samenleving van een stad en nu het boerse nationalisme van de Herzegovijnen van de HVO en anderen de atmosfeer bepaalt, zien weinigen nog reden tot terugkeer. Wel leeft grote ontsteltenis over de manier waarop de internationale gemeenschap eerst Bosnië-Herzegovina als onafhankelijke staat heeft erkend en vervolgens aan de verdelingslust van Kroatische en Servische nationalisten heeft overgelaten.

Voorshands is het dus gedwongen vakantie, en zonnebaden in afwachting van het moment dat er weer drinkwater uit de kraan komt. De bij vakantie horende uitgelatenheid ontbreekt volledig. “Wij zijn oud in ons hoofd”, zegt een jongeman, “dat krijg je als je zoveel slechts gezien hebt. Kijk maar naar de kinderen hier: ze glimlachen niet en de spelen niet, of ze spelen oorlogje”.