"Met je klanten moet je grappen maken'

Zes uur 's ochtends in Amsterdam. Safi (27) ratelt de rolluiken omhoog van snackbar Dalia. “Ha, de eerste junk.” Op de stoep staat een tengere man. Met een zwier opent Safi de deur. “Goedemorgen”, zegt hij en maakt een buiging. “Goedemorgen chef”, zegt de junk zachtjes. Hij bestelt een Mars en is weg.

Safi doet eerst de grote kleurentelevisie aan. Daarna de drie fruitautomaten en dan de lichtbakken met het snackassortiment erop. In de nog lege Oude Hoogstraat baadt snackbar Dalia in het licht.

“Als je klanten wil maken, moet je grappen maken”, zegt Safi terwijl hij zich uitrekt. In de horeca moet je lachen, ook al heb je problemen. Dat heeft hij van zijn baas geleerd. Hij zwaait naar een voorbijfietsende krantenjongen. Een man in pak komt gehaast binnen voor een halfje melk.

Het rek achter de toonbank lijkt op een schap uit een supermarkt. Pakken vruchtesap, yoghurt en rollen koekjes. Op de toonbank een paar stukken taart. “Junks eten cake”, zegt Safi. En chocolade. “Voor de aluminiumwikkels.” In de folie verhitten ze hun herone. Losse stukjes folie geeft hij niet meer. “Dan krijg je maar problemen met de politie.” Maar ze zijn slim, die junks. Ze bestellen meeneemschotels. “Vlees moet warm blijven, daar moet dus zilverpapier omheen.”

Soms doen klanten wel eens moeilijk. Dan willen ze weglopen zonder te betalen. Maar voor twee gulden ga je niet vechten, zegt Safi. Vroeger wel, toen sloeg hij er wel eens op los. “Rustig blijven is beter”, zegt hij. “Praten, praten, praten. Sommige junks zijn niet goed in hun hoofd.” Zijn wijsvinger tikt tegen zijn slaap.

Om zeven uur lopen vier bleke Duitse toeristen de snackbar binnen. Ze komen net uit Stuttgart en bestellen een sandwich kaas. Kauwend staren ze naar de videoclips. Ze zijn hier “to have some pleasure”. Morgenochtend vertrekken ze weer.

Vier jaar geleden kwam Safi uit Libië. Daar werkte hij als automonteur. Misschien dat hij ooit weer terug gaat. Hij mist zijn familie, de zon. “Libië is niet alleen Kadhafi”, zegt Safi en duwt zijn bril terug op zijn neus. “De Sahara is mooi, weet je.” Maar eerst moet hij geld verdienen. Misschien begint hij ooit een eigen snackbar.

Een jongen met een zwarte honkbalpet trekt de barkruk onder Safi vandaan. “Jij moet werken, niet praten”, zegt hij en installeert zich voor de fruitautomaten. Hij duwt op twee kasten tegelijk de knoppen in. “Gokverslaafd”, fluistert Safi. Vier keer binnen een half uur wisselt de jongen een briefje van vijfentwintig. “Die kast is gevaarlijk, man”, zegt Safi. “Ga toch naar huis. Het is beter als je gaat slapen.” De jongen hoort het niet. Alleen een oude man die over een kopje koffie zit gebogen, kijkt even op.