Geen wonder dat meerderheid van de Engelsen niets van "Maastricht' weet; Britse ratificatie een schertsvertoning

Na anderhalf jaar van heftige politieke strijd heeft Groot-Brittannië dan eindelijk het Verdrag van Maastricht geratificeerd. Officieel is België, als voorzitter van de Gemeenschap, opgetogen; officieus weten alle EG-functionarissen in Brussel dat het gevecht om de Europese eenheid nog maar pas begonnen is en dat de Britse problemen nog lang niet uit de wereld zijn.

De gehele gang van zaken rondom de ratificatie van "Maastricht' is typerend voor alles wat er op het ogenblik al dan niet deugt in het Verenigd Koninkrijk. Het Griekse parlement ratificeerde het verdrag bij acclamatie in precies drie minuten; de Spaanse Cortes stemde na evenveel dagen haast unaniem voor het verdrag, terwijl er in de Italiaanse Kamer van Afgevaardigden doorgaans vrijwel niemand aanwezig was tijdens de debatten over de inhoud van het verdrag.

Nee, dan Londen, waar men over de interpretatie van bijna elke komma in de obscure tekst krampachtig heeft gedebatteerd en waar premier John Major uiteindelijk zijn eigen politieke voortbestaan op het spel moest zetten eer het verdrag kon worden geratificeerd. Een triomf voor de Britse democratie? Niet bepaald, want om "Maastricht' is bijna uitsluitend door een selecte politieke elite slag geleverd.

Wat aan de Britse ratificatie voorafging, was in feite een absurdistisch toneelstuk, een strijd tussen politici om macht die ze al niet meer uitoefenen. De roep om een referendum werd door de meeste politieke leiders van de hand gewezen met het argument dat dat in strijd zou zijn met het leerstuk van het parlementair oppergezag. Maar het parlement zelf is inmiddels een façade voor de ongebreidelde heerschappij van de regerende partij.

Zo zag de Labour-regering in de jaren '70 kans meer dan drie miljard gulden aan de Britse kernstrijdkrachten te spenderen zonder het parlement zelfs maar in te lichten, en thans besteden de Conservatieven jaarlijks een soortgelijk bedrag aan de veiligheidsdiensten buiten de controle van het parlement om. Iedereen wist van meet af aan dat John Major het Verdrag van Maastricht zou mogen ratificeren; de strijd ging tussen Conservatieven die zich nog altijd wilden wreken op degenen die Margaret Thatcher in 1990 ten val hadden gebracht, en een Labour-oppositie die, bij ontstentenis van alternatieven, gewoon de regering dwars wilde zitten.

De regering verloor in het parlement de ene "onmisbare' stem na de andere, zonder dat dit echter tot de val van Major leidde. De parlementariërs die het heftigst gekant zijn tegen elke vorm van werknemers-bescherming stemden met de socialisten mee vóór de sociale paragraaf in het verdrag, terwijl het Britse Hooggerechtshof delibereert over een grondwettelijke kwestie - in een land dat geen geschreven grondwet kent. En ten slotte, op een wijze die doet denken aan de schertsvertoning in de Opperste Sovjet te Moskou, veegde John Major alle tegenstrijdigheden afgelopen vrijdag op één hoop door de vertrouwensvraag te stellen. Op geen enkel moment kwam het Britse volk aan bod: er waren geen openbare bijeenkomsten, geen betogingen, geen massapetities. Alles wat er gebeurde was dat een kleine politieke elite zich geheel en al uitputte in gepraat.

John Major, gebombardeerd tot leider van een sterk verdeelde partij, mag bijna zijns ondanks doorregeren. Hij heeft beloofd Groot-Brittannië in “het hart van Europa” te plaatsen, een leus waarvoor hij zich met geen vinger heeft ingezet. Jarenlang heeft Margaret Thatcher zich met groot succes verzet tegen ieder denkbaar EG-project, zonder plausibele alternatieven te bieden. Major zette haar optreden voort. Voor hem bestond een constructief beleid erin een keus te maken uit EG-projecten die gunstig waren voor Groot-Brittannië of die het evenwicht in zijn kabinet niet verstoorden. Kortom: Thatchers oude tactiek onder het mom van een "nieuw realisme'.

De tekst van het Verdrag van Maastricht was nog niet eens openbaar toen er vorig jaar parlementsverkiezingen werden gehouden. Discussies over Europese kwesties werden tijdens de campagne door beide grote partijen met zorg gemeden. En toen het verdrag ten slotte geratificeerd moest worden, zei Major in het parlement dat Groot-Brittannië weigerde zich te verplichten tot monetaire of politieke eenwording. En ook zou het geen wettelijke sociale bescherming accepteren. Het was waarschijnlijk de eerste keer in de Britse parlementaire geschiedenis dat een verdrag is geratificeerd niet om wat er met zoveel woorden in werd beloofd, maar om wat er vermoedelijk niet in stond.

Los van de officiële rechtvaardigingen heeft de Britse regering het Verdrag van Maastricht gepresenteerd als het minste van een serie kwaden, als een soort verzekeringspolis. Niemand weet hoe een toekomstig Europa eruit gaat zien, en totdat dat blijkt, wordt het verdrag beschouwd als een middel om de Britse betrokkenheid bij de besluitvorming in Brussel zeker te stellen. Visie werd vervangen door politiek gekonkel; de grote gedachte condenseerde tot diplomatiek gemanoeuvreer. Het verdrag moest worden geratificeerd niet omdat Major erin gelooft, maar omdat hij nog meer bang is voor elk ander alternatief.

In de hoop zijn tegenstanders met het verdrag te verzoenen, stelde Major de ratificatie uit tot na het tweede referendum in Denemarken. Vervolgens stelde de man die altijd beweerd had Groot-Brittannië te hebben "gered' van Maastrichts sociale paragraaf, dat die eigenlijk niet van belang was, om die tenslotte tot inzet van een vertrouwensvotum in het parlement te maken. Overal in Europa geldt het Verdrag van Maastricht als een document over eenwording; in Londen werd het verdrag gepresenteerd als zou het beslissingsmacht weghalen bij de organen van de Gemeenschap - precies de tegenovergestelde strekking dus.

Vorige week sloot Major ten slotte in zijn wanhoop een geheim pact met protestantse parlementsleden voor Noord-Ierland, een pact dat vrijwel zeker iedere eventuele kans op vrede in dat gebied teniet zal doen. En puur om de stemming erin te houden beloofde de regering dat het Britse pond nooit meer in het EMS zou terugkeren. Waar het land wordt bestuurd door zulke politici is het geen wonder dat de meerderheid van de Britten niets van "Maastricht' weet, laat staan er warm voor loopt. Major plaatst Groot-Brittannië niet in het centrum van het Europese continent, zoals hij belooft, maar zorgt juist voor de steeds verdergaande marginalisering van zijn land.

In laatste instantie is de Britse tragedie echter nog veel dieper. Want al wil niemand het nog hardop zeggen, de oorspronkelijke gedachte achter het Verdrag van Maastricht is zieltogend. Het Europese Monetaire Stelsel wordt misschien al voor het eind van deze week buiten werking gesteld, en de Frans-Duitse as, die tientallen jaren als de drijvende kracht achter de Gemeenschap heeft gefungeerd, vertoont verregaande slijtage. Een vergroot Duitsland laat zich niet eeuwig klein houden in een structuur die is toegesneden op de Koude Oorlog, en Europa heeft niet langer de keus tussen sterkere eenwording en uitbreiding van het lidmaatschap: het moet thans beide tegelijk nastreven. Het Verdrag van Maastricht zal door de geschiedenis niet worden gezien als de eerste verworvenheid van een nieuw Europa, maar als een laatste krachtsinspanning van het oude.

Britse politici waren eerder dan menigeen bereid die opvatting uit te spreken, maar zullen vermoedelijk weinig baat hebben bij hun wijsheid. Het is een inmiddels vertrouwd beeld: juist wanneer Europa van gedaante verandert, zijn de Britten in een intern conflict verwikkeld. Het continent schreeuwt om leiders met visie; Britse parlementariërs gooien elkaar schreeuwend papiertjes toe - een spektakel dat al honderden jaren onveranderd wordt opgevoerd.

Barbara Cartland, schrijfster van romantische boeken, is vorige week aan haar 557ste boek begonnen. Net zoals haar werk was ook het Britse parlementsdrama een oefening in futiliteit, gehuld in een mierzoet suikerlaagje. Op de vraag waar ze de inspiratie voor haar romans opdoet, antwoordde Cartland dat ze die van God krijgt. God de Heer, zei ze, “is namelijk een stuk slimmer dan wij”. Voor één keer denk ik dat de meeste Britten het met Cartlands opvatting eens zouden zijn.