Frank Govers brengt hommage aan zijn eigen smaak; Kostuums in statische eregalerij

Expositie: De favoriete theaterkostuums van Frank Govers in het Theater Instituut Nederland, Herengracht 168, Amsterdam. T/m 12 sept. Catalogus ƒ 2,50.

Elke zomer laaft het Theater Instituut zich aan nostalgie. Dan nodigt het Instituut een decor- of kostuumontwerper uit om de schatkist van de Nederlandse toneelhistorie te openen en de voorwerpen in de expositieruimte tentoon te stellen. Ditmaal viel de keuze op couturier Frank Govers. Uit het bezit van tweeduizend kostuums maakte hij een keuze, die in vijf verschillende zalen is ondergebracht. Er zijn de rode, paarse, roze, blauwe en grijze zaal. De kleur van de zaal combineert met het genre: rood is voor de komedie, paars voor de tragedie, roze voor cabaret, blauw voor het literaire repertoire en grijs voor ballet.

Er hangt een plechtige stemming in de zalen. Frank Govers laat alle franje zoals muziek of bewegende taferelen weg en concentreert zich op de essentie: het theaterkostuum, gedragen door een zwartfluwelen etalagepop. De poppen staan roerloos, soms is een arm geheven, een voet is naar voren geschoven. Dat statische heeft iets van een eregalerij op een begraafplaats. Laag bij de grond, eigenlijk te laag en slecht zichtbaar, zijn de kaartjes aangebracht wie welk kostuum droeg in welke voorstelling en door wie het werd ontworpen.

De ontwerpers zelf komen echter in het geheel niet aan bod. Dat is een pijnlijk, oneerbiedig gemis. Ik kan me voorstellen dat van een aantal van hen een portret was opgehangen en dat er iets over hun leven en werk werd meegedeeld, bijvoorbeeld citaten over hun werkwijze. Nu zijn ze opnieuw anoniem, wat ze bijna altijd zijn, terwijl zonder hen deze expositie niet mogelijk was. Het lijkt of Frank Govers toch meer een hommage heeft gemaakt aan zijn eigen smaak dan aan de ontwerpers, zoals Nicolaas Wijnberg, Herman van Elteren, Constance Wibaut, Monika van Zallinger en zoveel anderen dat ik ze niet kan noemen. Het was toch Govers' taak om bij deze gelegenheid niet alleen de kostuums uit de kamfer en de mottenballen te halen, maar ook de ontwerpers in het volle licht te plaatsen. Dus, alsnog applaus voor hen! Het zijn nu slechts enkele schilderijen en een plank met rekwisieten die wat levendigheid geven.

Kostuumontwerpen komen er in de besprekingen van toneel vaak karig vanaf. Ten onrechte. De rijkdom aan stijlen, stoffen, kleuren en modellen die hier te zien is, maakt duidelijk dat een kostuum meer is dan zomaar de aankleding van een voorstelling. Kostuums steunen de interpretatie van een regisseur, geven het tijdsbestek weer waarin een stuk zich afspeelt en maken vooral duidelijk in welke verhouding de personages tot elkaar staan. De bijrollen gaan vaak in het eenvoudig zwart of grijs; de koning en koningin schitteren van de gouddraden, de vastgestikte parels en het glanzend fluweel. Aan de hoofdrollen is natuurlijk het meeste plezier te beleven, zowel voor de toeschouwer als de ontwerper. En aangezien in de tijd van het Grote Toneel de hoofdrollen door sterren werden vertolkt, krijgt een kostuum dat gedragen werd door Else Mauhs, Ank van der Moer, Rika Hopper, Josephine Baker of Guus Oster bijna een mythische betekenis. Toeschouwers van toen die nu de expositie bezoeken, en die levende herinneringen bezitten aan acteurs en actrices van weleer, kunnen in vervoering raken bij een kostuum dat Rika Hooper droeg in 1954 in Anastasia van Maurette. Het bestond uit japon en jak van zwart tricot met banen van gekleurd en zwart lamé en goudkleurige, roze en turquoise applicaties. “Kijk,” fluistert een dame, “dat droeg toen Rika”. Voorzichtig raakt ze de stof aan.

Aan theater kleeft altijd de triestheid van het voorbije, het onherroepelijke. Vanaf 1900 tot in de jaren dertig zong en danste een actrice onder de naam Louisette in revues en musicals. Ze trad ver buiten Amsterdam op, tot in Amerika toe. In 1965 stierf ze, vergeten en vereenzaamd tussen haar toneelherinneringen, waaronder de kostuums. Althans, zo gaat het verhaal. Ze schonk haar collectie aan het Theater Instituut, en zo weten we dat ze in de VS optrad in een revuekostuum van zwart satijn, versierd met bloemmotieven in gekleurde pailletten. Wanneer ik mijn ogen laat glijden over de lijnen van deze japon, mis ik ineens de muziek die toen geklonken moet hebben. De stilte is wel erg stil in het museum; de kostuums erg onbezield zonder lichaam.

Frank Govers heeft een voorkeur voor het flamboyante en oogstrelende in de kostumering. Het theater van de armoede uit de jaren zestig ontbreekt nagenoeg helemaal. Wie denkt dat het toneel zoals het hier getoond wordt, nog steeds zo wordt gekostumeerd, begaat een enorme misrekening. Dit is la crème, de duurbetaalde chic. Dat verklaart ook de merkwaardige gelijkgestemdheid van atmosfeer en vooral stijl tussen de verschillende genres. Naar aankleding is de tragedie niet wezenlijk verschillend van de komedie of het serieuze repertoire. De tragedie is niet per se donkerder bijvoorbeeld, de komedie niet luchtiger of kleurrijker. Erg mooi is de grijze zaal met kostuums van balletten als De schone slaapster en Paquita. De tule is zo fijngazig, dat ze net lijkt op de vleugels van libelles.

Behalve de kostuums waren voor mij de tentoongestelde schilderijen een verrassing. Cees Maks, Piet van der Hem, Jacob Taanman en Jan Sluyters zijn echte "toneelschilders'. Sinds kort weet ik nu, dank zij Taanman, hoe mevrouw Maria Kleine-Gartman eruitziet, de voor velen geheimzinnige naamgeefster van het beroemde plantsoen. Ze is niet onknap, zeker ook niet knap. Rond gezicht, kort donker haar, strenge, bijna wat stroeve mond. Ze heeft echter niet de allure die je verwacht van een vedette.

Nee, dan Beppie Vries zoals ze is geschilderd als de vrouw van de tambour-majoor door Piet van der Hem. Een en al kracht, levendigheid en sensualiteit met die kersrode mond van haar en die bliksemende ogen. Nu weet ik wat een goed onderwerp zal zijn voor de volgende zomerexpositie: het theater in de Nederlandse schilderkunst.