Een nummer voor Frankfurt

DWB 1993/3. Uitg. Peeters, Bondgenotenlaan 153, 3000 Leuven België. 107 blz. ƒ 15

Het Leuvense tijdschrift DWB bereidt zich voor op de Buchmesse in Frankfurt, in oktober, waar Nederland dit jaar "Schwerpunkt' zal zijn. Het pasverschenen derde nummer van de honderdachtendertigste jaargang zal in zijn geheel in het Duits worden vertaald, zodat reclame kan worden gemaakt voor blad en schrijvers. Wie anders dan Cees Nooteboom, die zelf altijd het beste zijn eigen belangen in het buitenland behartigt, opent dit voor Frankfurt bestemde nummer; met "Dromen van het eiland en de stad van vroeger'. Mooie, verstilde beelden van een dromende, stervende man - “Wereld, daarvan wilde hij steeds minder. Het kon ook zonder. Met zijn rug gewend naar het gefluister, de stemmen, alles wat een blinde hoort in het oneindige huis dat hij zelf is, huis zonder gasten, gangen en trappen vol getijden, herhaalde gedachtes.”

Andere namen in dit Frankfurt-nummer van DWB zijn J. Bernlef (met poëzie: "Dichterbij gekomen constateerde ik vol schrik: een lijk. / En wat meer is, je bent het zelf, zei het paard'), Ivo Michiels - lang niets van gehoord -, Atte Jongstra, Charles Ducal, Kristien Hemmerechts, Armando met Cherry Duyns en Mark Smeets (Herenleed getekend), Jan Fabre (wiens teksten bij Fischer Verlag zullen verschijnen), en Bart Vervaeck, die het Complete Werk van Kellendonk bespreekt. “In Kellendonks wereld is er wel een groot verlangen naar de mystieke versmelting van woord en vlees, maar tegelijkertijd is er het besef dat er iets zieks is aan die vereniging. De ironie is hier de balans: zij laat het verlangen toe en relativeert het tegelijkertijd. Zonder ironie geen mystiek. (-) De ontmoeting van geest en lichaam in de ironische letter, dat is Kellendonks literatuur.”

Bezield en heel sensueel is het verhaal "In mijn hoofd' van Kristien Hemmerechts, over een vrouw die er een bedreven betaalde minnaar op na houdt, en een telefoongeliefde - “Ik heb hem nog geen lichaam gegeven, hij is alleen een stem die mij ontroert. Nu ik hier sta in de hal van mijn huis, mijn oren spits en aan zijn woorden denk, is het of ik vloeibaar word, of er geen grens meer is tussen mij en de wereld, of ik overga in dier, mens, plant. (-) En ook - ik bloos om het te bekennen - is het of mijn geslacht groeit en groeit tot het meer dan de helft van mijn lichaam beslaat. Nietige armen, benen en een hoofd bungelen eraan. Ik ben bang om uit te gaan, bang dat iedereen het zal kunnen ruiken, dat honden aan me zullen komen snuffelen op straat.”

Dat vele Duitse lezers, en ook Nederlandse, kennis mogen maken met DWB.