Criminele club had plan voor exploitatie van 30 horecabedrijven

UTRECHT, 27 JULI. Een grote criminele organisatie is van plan geweest over een periode van drie jaar een dertigtal horecagelegenheden op te zetten. Het belastingadviesbedrijf Coopers & Lybrand in Utrecht heeft volgens de fiscus de organisatie van advies gediend bij het opzetten van een juridische structuur. Dat bleek gisteren tijdens een juridische procedure die een van de verdachten voert tegen de fiscus.

Begin mei 1993 arresteerden politiekorpsen uit Noord-Holland en Utrecht in twaalf verschillende plaatsen twintig mensen. De verdachten zouden volgens de politie tot drie verschillende bendes behoren die zich bezighielden met de grootschalige handel in hasj en het witwassen van drugsgelden.

Gisteren diende in Utrecht een kort geding dat een van de verdachten, A. van der H., tegen de ontvanger van de belastingdienst/ondernemingen Utrecht (kortweg "de ontvanger') had aangespannen. Van der H. eist onder meer dat het conservatoir beslag dat de fiscus heeft gelegd op het vermogen van twee BV's waarvan hij aandeelhouder is, wordt opgeheven.

De organisatie zou door middel van een aantal BV's een hotel-restaurant, cafés en andere horecagelegenheden in beheer hebben. Leider van de organisatie was volgens de fiscus een man uit het woonwagenkamp Huppeldijk. Zijn organisatie bestond uit twee gescheiden divisies. De divisie verdovende middelen regelde de aankoop van hasj in Marokko, het transport naar Nederland, de afzet op groot- en kleinhandelsniveau in Nederland en de uitvoer naar onder andere Groot-Brittannië.

De drugswinsten werden deels besteed aan luxe goederen als dure auto's en speedboten. Deels werden deze winsten via de divisie horeca in legale bedrijven genvesteerd. Van der H. zou aan het hoofd van de divisie horeca hebben gestaan. Deze divisie maakte gebruik van een groot aantal binnen- en buitenlandse rechtspersonen. Volgens de advocaat van de ontvanger had de groep een plan klaar om tien miljoen gulden te investeren.

“De criminele organisatie”, zo schrijft de advocaat van de ontvanger, “heeft uitvoerig advies gevraagd over de juridische structuur van de horecadivisie. Deze juridische structuur moest zo worden gekozen dat de Belastingdienst niet zou kunnen achterhalen wie de investeerders in Dutch Business Trading BV-groep zouden zijn.”

In 1991 heeft mr. W.H. van der Z. van Coopers & Lybrand, Van der H. c.s. aangegeven door welke constructie zij aan een fictieve groep buitenlandse investeerders kon garanderen dat de geldschieter voor de Nederlandse fiscus anoniem zou blijven. Van der Z. is als getuige door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) gehoord. Hij heeft verklaard dat hij had begrepen dat de "buitenlandse geldschieter' niet bestond en aangenomen dat het om zwart geld van Van der H. c.s. ging. Op het moment dat dit vermoeden rees, zo zegt men bij Coopers & Lybrand, heeft Van der Z. zijn advisering gestaakt.

Volgens de ontvanger van de belastingdienst heeft de “door de criminele organisatie in het leven geroepen structuur geen reële economische betekenis. Deze structuur is slechts ingegeven om ervoor te zorgen dat de fiscus niet zou kunnen achterhalen wie de rechthebbenden achter de DBT-groep zouden zijn.” Daarom meent de ontvanger dat terecht op de vermogensbestanddelen van (de rechtspersoon) DBT BV conservatoir beslag is gelegd.

De advocaat van Van der H., mr. J.L. Leijendekker, vindt dat dit beslag onmiddellijk moet worden opgeheven. Volgens de advocaat staat nog allerminst vast dat het vermogen van DBT BV is verkregen uit hasjhandel. “In het dossier wordt alleen maar gesproken in termen van vermoedens”, aldus de advocaat van Van der H.. “Er zijn geen verbalen waaruit blijkt dat hasj is gevonden.” Van der H. ontkent dat hij iets met hasjhandel van doen heeft gehad. Uitspraak 3 augustus.