Bikkel

Bello was een rustige aristocraat. Hij nam een beperkte gehoorzaamheid in acht. Hij blafte zelden. Hij zou nooit zelf een deur openmaken.

Zo'n Ierse setter ziet er nogal zijig uit, maar dit was een bikkelharde jongen. Die kreeg je niet moe. Die joeg zichzelf door halfbevroren sloten heen. Die ging op het strand achter een bromfietser aan, totdat de man, telkens over zijn schouder kijkend, vrijwel in zee verdween.

Hij had een lichte vorm van HD, wat in zijn jeugd een eigenlijk wel grappig slingertje van de achterpoten veroorzaakte. Later kromde hij zijn rug. Hij werd stijver en stijver. Ook zijn voorpoten begonnen te slijten. Hij kreeg het aan het hart. Vocht achter de longen. Problemen met eten. Afijn, daar zijn het huisdieren voor - alles wat wij krijgen, krijgen zij ook.

Op zijn achtste ging hij voor het laatst mee op vakantie, een huis in Bretagne. Daarna dierenpension De Vrijheid. Dan kwam je thuis en dan was hij weer eens in een crisis geraakt. Meer dood dan levend lag hij daar. Niet eens tot kwispelen in staat, laat staan om op te staan. En dan de dierenarts. En dan de twijfel, het besef van onvermijdelijkheid. Maar dan kwam hij er toch weer bovenop.

Dan had hij het gered.

Dan ging zijn dood niet door.

Dan had hij even iets onsterfelijks.