Achter Monets en Picasso's in Essen gaan aangrijpende familiedrama's schuil; Duet voor twee Russische verzamelaars

Tentoonstelling: Monet bis Picasso. Morosow und Schtschukin. Die russischen Sammler. T/m 31 okt in Museum Folkwang, Essen. Open di, wo, do, za, zo: 10-20u, vr 10-24u. Catalogus 48 DM in Museum Folkwang, ca 90 DM in de boekhandel.

Het is druk op de tentoonstelling Van Monet tot Picasso in het Museum Folkwang te Essen. Het publiek schuifelt langs de schilderijen die door de Russen Ivan Morosov en Sergei Sjtsjoekin van ongeveer 1898 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 zijn verzameld. Bij de schilderijen met zwarte stip ontstaat telkens een beschaafd gedrang. Hier krijgen de bezoekers met walkman via hun koptelefoon uitleg. Terwijl het zacht sissende stemgeluid uit de apparaten ook voor anderen hoorbaar is, staren zij met glazige blik voor zich uit.

Eigenlijk verdienen alle werken op de expositie een stip. Het is verbazingwekkend hoe twee dilettanten in staat zijn geweest om gedurende een vrij korte periode in Parijs zoveel meesterwerken van de moderne Franse kunst te kopen. Overzichtstentoonstellingen van Monet, Van Gogh, Gauguin, Cézanne, Matisse en Picasso zijn bijna onmogelijk zonder bruiklenen uit deze collecties die in de jaren twintig werden verdeeld over de Hermitage in Sint Petersburg en het Poesjkin Museum in Moskou. De meeste werken in Essen zijn al eerder in het westen te zien geweest en ook aan de collecties van Morosov en Sjtsjoekin is al eens aandacht besteed, onder andere in 1972 in het Rijksmuseum Kröller-Müller.

Van lijfeigene tot textielbaron, dat is kort samengevat de geschiedenis van de familie Morosov in de negentiende eeuw. De Sjtsjoekins waren al langer welgestelde kooplieden en industriëlen. In beide families werd ook door andere broers min of meer serieus verzameld. Morosov zette in 1903, na de dood van zijn oudere broer Michael, diens activiteiten voort. Ivan, de jongere broer van Sergei Sjstjoekin, werd in 1907 door financiële moeilijkheden gedwongen zijn collectie te verkopen. Toen hij (naar later bleek ten onrechte) van experts te horen kreeg dat zijn El Greco's vals waren, nam hij vergif in. Het lijkt of de tragische gebeurtenissen tussen 1906 en 1910 - zijn vrouw stierf plotseling en twee zonen pleegden net als hun oom zelfmoord - Sjstjoekin er toe dreven zich steeds meer met zijn verzameling bezig te houden.

De organisatoren van de tentoonstelling in Essen hebben zich geconcentreerd op de verschillen en overeenkomsten tussen beide verzamelaars. De overeenkomsten zijn soms frappant. Zo bezaten beiden van Cézanne onder andere een zelfportret, een bijna identieke Man met pijp, en natuurlijk een stilleven en een Mont Sainte-Victoire. Monet, Gauguin, Picasso, Derain, Matisse en Signac leveren ook interessant vergelijkingsmateriaal op.

Bij de verschillen valt op dat Sjtsjoekin meer werken van Picasso en Matisse aankocht en als enige Henri Rousseau, terwijl Morosov het accent legde op Cézanne en verrast met vier schitterende Bonnards. In tegenstelling tot Sjtsjoekin was Morosov wel genteresseerd in beeldhouwkunst. Zo gaf hij Maillol opdracht voor vier bronzen vrouwenfiguren voor zijn muzieksalon. Het contact tussen kunstenaar en opdrachtgever werd gelegd door Maurice Denis die voor deze ruimte een serie wandschilderingen ontwierp. Op de tentoonstelling in Essen is een reconstructie te zien van de muzieksalon van Morozov. Vergeleken met de revolutionaire eenvoud en kleur van de doeken Dans en Muziek die Matisse in 1909 voor het trappenhuis van Sjtsjoekin schilderde, ogen Maillols beelden en Denis' Geschiedenis van Cupido en Psyche nogal traditioneel. Het maakt nog eens duidelijk hoeveel moed er voor nodig was om tegen de heersende conventies in de naaktfiguren van Matisse op te hangen. Sjtsjoekin betaalde voor de twee werken twaalf- en vijftienduizend francs, wat toen veel geld was - meer dan Matisse ooit had ontvangen.

Anders dan je zou verwachten waren de twee mecenassen niet met elkaar in een concurrentiestrijd op leven en dood gewikkeld. Wel streefden zij elk op hun eigen manier hetzelfde doel na. Sjtsjoekin was vooruitstrevender, nam meer risico's en Morosov ging bedachtzamer te werk. Volgens Matisse vroeg Morosov bij kunsthandelaar Vollard om de beste Cézanne die hij in huis had, terwijl Sjtsjoekin alle Cézannes wilde zien. Op de achtergrond bestond wel enige rivaliteit, maar ze bezochten in Parijs soms ook gezamenlijk tentoonstellingen.

Zowel Sjtsjoekin als Morosov stelde zijn paleis open voor publiek. De opzienbarende ontwikkelingen van de Russische kunst in deze tijd zijn zonder deze genereuze weldoeners ondenkbaar. Bij een somber gekleurde "primitieve' boerin van Picasso uit 1908 moest ik onmiddellijk denken aan de sterk vereenvoudigde boeren en houthakkers die Malevitsj omstreeks 1911-'12 schilderde.

Na de revolutie van 1917 werden de bezittingen van Morosov en Sjstjoekin genationaliseerd. Vóór de verdeling van de kunstwerken over de Hermitage en het Poesjkin Museum waren de paleizen enige tijd geopend als "Eerste' en "Tweede museum voor moderne westerse schilderkunst'. Sjtsjoekin kreeg in zijn eigen huis de dienstbodenkamer naast de keuken toegewezen en mocht rondleidingen geven. Morosov werd benoemd tot assistent van de directeur. Hij stierf in 1921 in Karlsbad. Sjtsjoekin leefde tot zijn dood in 1936 als vluchteling in Frankrijk.

Sjtsjoekin had al voor de revolutie zijn bezittingen bij testament aan Moskou vermaakt. Al jarenlang voert zijn jongste dochter Irina processen om de kunstwerken weer in het huis van haar vader te exposeren, zoals zijn uitdrukkelijke wens was. In februari van dit jaar schreef zij volgens het Amerikaanse tijdschrift Artnews een brief aan president Jeltsin om haar eisen kracht bij te zetten. In de jaren dertig werden enkele schilderijen, waaronder Van Goghs beroemde Nachtcafé door de Sovjet autoriteiten verkocht aan Amerikaanse verzamelaars. Dit werk, dat wel is opgenomen in de catalogus, ontbreekt op de tentoonstelling. De huidige eigenaar, de Yale University Art Gallery, ontkent dat er een verband bestaat tussen Irina's claims en de beslissing om het schilderij niet uit te lenen.

Sjstoekin en Morosov waren overigens niet de enigen die rond 1900 moderne kunst verzamelden om een museum voor de gemeenschap te stichten. Behalve mevrouw Hélène Kröller-Müller is de grondlegger van Museum Folkwang, Karl Ernst Osthaus, een ander voorbeeld. Wie naar Essen reist moet vooral niet vergeten om de vaste collectie van het museum te bezoeken, die ook veel werken "met stip' omvat. In deze zalen ontbreken echter de walkmans en heerst er een weldadige rust.