Wild Plakken etaleert zijn kritische vernuft in Centraal Museum

Tentoonstelling: Wild Plakken. T/m 22 aug. in het Centraal Museum, Utrecht. Boek ƒ 50.

Tentoonstellingen van drukwerk hebben de neiging een beetje plat en eenvormig te zijn, meer vitrine dan beeld. Maar de tentoonstelling die het Amsterdamse ontwerperscollectief Wild Plakken over zichzelf heeft ingericht in het Centraal Museum Utrecht - waarvoor het de publiciteit verzorgde van de tentoonstelling "Nachtregels' in 1991 - ontstijgt ieder manco van dit genre. In plaats van het beproefde mausoleum van statische vitrines en algehele onaanraakbaarheid belandt de bezoeker in een spektakel waarbij steeds geldt: als je erbij kunt, mag je het vastpakken.

De confrontatie begint met een straffe diashow. Al te zelfverzekerde commentaarstemmen becommentariëren twintig jaar werk van Wild Plakken, tot zij op hun beurt overstemd worden door een ratelend slotsalvo en de vijf apparaten hun dia's simultaan terugtransporteren. In groot contrast hiermee staat het stille "atelier' op het entresol, met schetsen aan de wanden en een rijen fotofragmenten die tegen de plinten staan te wachten op hun verwerking tot het belangrijkste beeldmiddel van Wild Plakken: de fotomontage.

In de archiefkast "Inspiratie' mag de bezoeker vrij rommelen tussen de Chinese sigarettenpakjes, gekleurde gummen en andere archetypische ontwerpersverrukkingen. Elders ziet hij de video's die het collectief voor de VPRO heeft gemaakt. Het adembenemende pièce de résistance van de tentoonstelling - vergelijkbaar met het reuzenrad op de kermis - vindt hij in de "leeszaal'. Als luchtacrobaten hangen hier de door Wild Plakken ontworpen catalogi, boeken en tijdschriften in een cascade van trapezes van het plafond naar beneden.

Niet ieders werk zou tegen zo'n spektakelpresentatie zijn opgewassen. Het werk van Wild Plakken, dat zijn eerste publiek op straat vond, bezit er echter precies de juiste dosis overmoed voor. De leden van de groep, opgeleid aan de Gerrit Rietveld Academie, kozen direct en uit volle overtuiging voor het actiecircuit, waaraan ze hun geuzennaam te danken hebben. Amsterdam voor Vietnam, Woonwoededag, Woonlasten omlaag, het moet en het kan waren kreten die zij - tevens huisontwerpers van de CPN - verwerkten tot affiches met een al even eenduidig en schematisch karakter. Met hun primaire kleuren, schreefloze belettering, fotomontages en dynamische, diagonale composities zijn deze biljetten direct te herkennen als aanhankelijkheidsbetuigingen aan de historische avantgarde (Piet Zwart, Paul Schuitema) waarin Wild Plakken een politieke en esthetische gelijkgerichtheid veronderstelt.

Het collectief heeft zich overigens nooit beperkt tot de politiek. Al vroeg werkte het voor het tijdschrift Skrien en zeker toen de strijdlust voor de linkse zaak in het algemeen begon te tanen breidde het aantal opdrachtgevers in het culturele circuit zich uit. Het Centraal Museum toont mooie en subtiele ontwerpen voor Museum Fodor, De Nederlandse Opera, het Fonds van Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. In deze ontwikkeling werd uiteindelijk zelfs de (meervoudige) opdracht van De Nederlandsche Bank aanvaard om het nieuwe papiergeld te ontwerpen (1987), een wedstrijd die door Jaap Drupsteen werd gewonnen.

Intussen veranderden ook de samenstelling en werkwijze van de groep. Van de twee overgebleven oprichters van het eerste uur, Lies Ros en Rob Schröder, richtte de laatste zich gaandeweg meer op het audioviduele genre, met superieure filmpjes voor VPRO-televisie (Prima Vista). Deze oriëntatie leverde ook een nieuw en fameus groepslid op, de ontwerper Max Kisman, eveneens actief voor de VPRO.

Als ontwerp is deze tentoonstelling een groot succes. Onbedoeld roept ze zelfs nog blijde associaties op met het Amsterdamse papierpaleis Vlieger, in die korte tijd tussen zijn bloei en zijn debâcle (1992-1993). Dat neemt niet weg dat een tentoonstelling over ontwerpen een presentatie over presenteren, waarbij onderwerp en ontwerper samenvallen, een monstrum blijft, een gevaarlijk dubbelzinnig spel dat ten koste gaat van de inhoud. Dit speelt ook het bijbehorende prachtboek parten, dat liefst voor een kwart is gewijd aan het "ontwerpproces' van de tentoonstelling.

Om dezelfde reden vormen de luidruchtige zelfbespiegelingen in de diazaal een problematisch onderdeel. Zoals een van de commentaarstemmen schandeert: “WP deugt voor commentaar. Dat beperkt de kring van opdrachtgevers tot degenen die daar tegen kunnen, want WP kan nog in het simpelste briefhoofd een statement kwijt over wat er scheef zit in de wereld. "Eigenlijk zijn Rob en ik een beetje vervelend serieus' vatte Ros de mentaliteit ooit samen. "Het moet altijd ergens over gaan'.”

Nergens ontsnapt de kritische opstelling van Wild Plakken zelden aan een zekere gemakzucht. Over de "kritische' opstelling van jonge ontwerpers schreef Hugues C. Boekraad onlangs in Museumjournaal "kritische inhouden worden ontleend aan officiële ideologieën, zoals anti-rascisme, feminisme, milieubewustzijn. Stuk voor stuk zijn dit - in ons deel van de wereld - staatsideologieën met de bijbehorende juridische sancties op overtreding van de eruit voortvloeiende regelgeving.''

Het is verbazingwekkend dat Wild Plakken, doorgaans zo fier op zijn kritisch vernuft, hiermee zonder verdere discussie plaatsneemt in het establishment van het engagement. Wat heeft het goede ontwerp eigenlijk voor boodschap aan de politieke moraal?