Tourdirectie als grootste tegenstander van Indurain

PARIJS, 26 JULI. De superatleet Miguel Indurain was van aparte klasse in de Ronde van Frankrijk. Technisch en taktisch toonde hij zijn meesterschap. Maar evenals in de afgelopen twee jaar behaalde hij zijn overwinning zonder enige dramatiek. De zwijgzame Spanjaard met de melancholieke blik ondernam geen opwindende solo-vluchten, zijn inspanningen in de bergen waren er alleen op gericht zijn gele trui te verdedigen en enkel in zijn specialiteit, de tijdrit, sloeg de 29-jarige kopman van Banesto genadeloos toe. Die aanpak alsmede de machteloosheid van de concurrentie maakten van de Tour 1993 een voorspelbare, saaie vertoning.

De benadering van de computer Indurain roept herinneringen op aan die van Jacques Anquetil. Wijlen Monsieur Chrono wilde in het begin van de jaren zestig evenmin aanvallen. De Normandische levensgenieter en rekenaar had het best gekund, maar waarom zou hij? In de lange ritten tegen de klok zette de unieke tempobeul zijn tegenstrevers ogenschijnlijk simpel op een straatlengte achterstand, in de zware cols deed hij niet anders dan zijn verlies beperken.

Het maakte de ambitieuze berggeiten zó wanhopig dat ze ten einde raad geen initiatieven meer namen, het peloton ging in gesloten formatie over de eens zo gevreesde toppen. De gang van zaken leidde tot bijzonder felle kritiek in de internationale én de Franse media. Ook het publiek ergerde zich er zeer aan dat het de herosche duels van tevoren, met de hoofdfiguren Féderico Bahamontes en Charly Gaul, in de mist en de sneeuw, niet meer kon bewonderen.

Anquetil, een wielerkeizer toch - in 1957, '61, '62, '63 en '64 was hij winnaar - kreeg in eigen land geregeld fluitconcerten te horen. En de supporters keerden zich tegelijk massaal van de Ronde af. Er dreigde een catastrofe voor de Société du Tour de France, die in die periode tot overmaat van ramp ook nog in grote financiële moeilijkheden verkeerde.

Dat het allemaal zover was gekomen dankte de toenmalige directeur Jacques Goddet overigens voor een belangrijk deel aan zichzelf. Het was een publiek geheim dat de beminnelijke man in zijn eeuwige lange korte broek het parcours aan de mogelijkheden van Anquetil had aangepast, teneinde na Gaul (1958), Bahamontes (1959) en Gastone Nencini (1960) weer een Fransman als triomfator te kunnen presenteren. Want daar zat het chauvinistische Franse volk toch op te wachten?

De huidige Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc zal dezer dagen vast stilstaan bij die zwarte periode in de Tourgeschiedenis. Akkoord, la Grande Boucle is anno 1993 financieel kerngezond. En populair. Ten minste in Frankrijk. De kijkcijfers wijzen uit dat daar 's middags gemiddeld vijf miljoen mensen naar de rechtstreekse tv-beelden van de etappes keken, een absoluut record. En ook het aantal toeschouwers langs de wegen was volgens de schattingen met twintig miljoen hoger dan ooit, nota bene in een jaar dat het land slechts één etappezege (Pascal Lino) behaalde en de Fransen in het algemeen klassement in het geheel niet meetelden. Reden dus voor optimisme. Maar Leblanc - en hij niet alleen - ziet desondanks ook donkere wolken hangen. Over de Franse grenzen, waar de duffe tachtigste Tour-editie veel belangstellenden van zich vervreemdde, Spanje, Zwitserland (door het Tony Rominger-effect) en in mindere mate het enigszins opgeveerde België uitgezonderd.

Leblanc moet er derhalve voor waken dat de belangstelling niet verder afneemt. Doet hij dat niet, laat hij de grote mensenmassa (zoals ten tijde van Anquetil) afhaken, dan dreigen in ijltempo ook de drie super-sponsors, de onmisbare multinationals Coca Cola, Crédit Lyonnais en Fiat, die miljoenen in zijn wielerspektakel pompen, zich af te wenden. Dat zou het begin zijn van een aftakeling, van een mogelijk faillissement zelfs.

Het zou daarom niet als een verrassing komen wanneer Leblanc besluit de Tour van 1994 een stevige injectie te geven. Een spuit in de vorm van een aanpassing van het parcours. Om het voordeel bij de super-favoriet Indurain weg te halen, om te nivelleren. Géén twee lange tijdritten meer, maar twee korte - veel ploegleiders en renners pleiten daar voor, zelfs Indurains teamgenoot Pedro Delgado - of slechts één vlakke race tegen de klok en één bergop. Met het doel Tony Rominger, Claudio Chiappucci, Alvaro Mejia en de andere klimmers tegemoet te komen en de strijd te verhevigen.

In de eenentachtigste Ronde van Frankrijk kan directeur Leblanc daardoor wel eens de gevaarlijkste tegenstander worden van Indurain, die met zijn derde Tourzege op gelijke hoogte kwam met Philippe Thys (1913, 1914, 1920), Louison Bobet (1953, '54 en '55) en Greg LeMond ('86, '89 en '90). De Spanjaard zet volgend jaar de eerste stap in zijn jacht op de recordhouders met vijf overwinningen: Anquetil, Eddy Merckx (1969 tot en met '72 en '74) en Bernard Hinault, de nummer één van 1978, '79, '81, '82 en '85.