Sfeervolle veertiende "poëziezomer' in Belgisch dorp Watou; Kunst Raveel en poëzie in dialoog

"Watou '93. Poëzie rond Roger Raveel'. T/m 5 september (dag. 14-19u) in het Douviehuis en de Douviehoeve in Watou. Za 28 aug. "Nocturne in Watou'. Verschillende dichters lezen op lokatie uit eigen werk, 21-24 uur.

In de winter komt er niemand in Watou, het kleine Westvlaamse dorp in het uiterste puntje van de Westhoek, voorbij Ieper, voorbij Poperinge, voorbij alles eigenlijk. Dan lijkt het onmogelijk dat er hier elk jaar, nu al veertien keer echter elkaar, een "poëziezomer' plaats vindt. Watou is een eenvoudig dorp met een eenvoudige Spar, met eenvoudige bakstenen huizen met nette tuinen ervoor, weilanden erom heen, een kerk met een groot Christusbeeld aan de rand van het Watouplein. Er komt geen mens. “Het gebeurt wel dat ik in een hele winter niet meer dan vijf keer iemand over de vloer krijg,” zegt Gwij Mandelinck, de man die de poëzie en de beeldende kunst het dorp binnen geduwd heeft.

's Winters zit Mandelinck in zijn huis, slechts een paar grote stappen verwijderd van Frankrijk. Hij heeft "de literaire stekker eruit getrokken' zoals hij zelf zegt. Hij leest, hij schrijft, hij luistert naar muziek. Verder niets. Behalve dan dat in zijn hoofd een plan rijpt, het plan voor de aanstaande poëziezomer. Afgelopen winter moet hij zo af en toe een wit vierkant voorbij hebben zien komen, of er doemde een paal op voor zijn geestesoog. De naam Roger Raveel spookte af en toe door zijn hoofd. In maart belde hij de schilder op.

Raveel en Mandelinck gingen aan het werk, ze noemden namen van dichters en bekeken schilderijen, ze verwierpen en zochten, ze interpreteerden en sorteerden. Uiteindelijk bleven er negentwintig gedichten over van negentwintig verschillende Vlaamse en Nederlandse dichters. Ze hadden een huis ter beschikking aan het Watouplein, een wat vervallen huis met stallen en schuren en een tuin: het Douviehuis. Ze kregen nog een hoeve ter beschikking ook: de Douviehoeve. Raveel pakte schilderijen, kasten, karretjes en schilderspullen bijeen en kwam naar Watou.

“Hij werkte heel hard,” zegt Mandelinck. Dat moet wel. Want Watou is van Raveel geworden. Van Raveel en van de poëzie. Het is er niet meer stil. Dichtersstemmen klinken naast kleurrijk beschilderde muren. Een ezel balkt naast een gedicht dat geheel aan hem is gewijd, kippen tokken in de installatie "Kippen spellen het woord kippen steeds anders', bezoekers volgen het op het asfalt geschreven gedicht "Spoor' van Geert van Istendael dat ze van het Douviehuis naar de Douviehoeve leidt. Overal witte vierkanten met zwart omlijnd, overal gezichtloze hoofden en gestreepte figuren, overal rood en geel en blauw. Oude en spiksplinternieuwe Raveels zijn in het dorp komen wonen.

Wie in Watou aankomt, en het loont de moeite er aan te komen, stopt vanzelf op het Watouplein dat 's zomers het Hugo Clausplein heet. Wat is logischer dan een Claus-monument op een Clausplein? En wat is logischer dan dat Raveel dat maakte? In een glanzende metalen plaat is het silhouet van Claus uitgezaagd. Naast hem staat een met beton bestreken knotwilgstam met een grote vierkante spiegel erin. Daar kan wie wil wel even over denken. Door de dichter heen zien wij de wereld. De dichter weerspiegelt de wereld in het woord. Het leven is vastgelegd in iets bestendigers. Enfin, het is een prachtig monument - je zou het meteen willen stelen voor je eigen stad want elke stad wordt er beter van.

In het Douviehuis liggen oude tegeltjes op de grond, het behang valt er zo wat van de muren, de kelder schimmelt en de zolders kraken, in het dak zitten kieren en in het keukentje staat een oude pomp. Vroeger moet het hier heel anders zijn geweest, rijk en mooi en goed onderhouden. Maar voor de kunst is het wel fijn, een beetje half vergaan verleden. “het geledigde huis dat nu langzaam vanbinnen / zijn weegschaal voelt breken, (-) vol tijd lekt het” schrijft Gerrit Kouwenaar in zijn gedicht "sloophuis'. Het hangt op een groot wit bord tegen de dakpannen, eronder staat een beschilderde kast op wieletjes, die "De zin van het zinloze' heet en die Raveel op 10 mei 1990 door Brussel trok.

Alle ruimtes lekken hier vol tijd, en de meeste dichters doen daar nog een schepje bovenop. Er wordt veel heden en verleden onontwarbaar bij elkaar gebracht, de tijd stroomt en staat stil, dwars door ondoordringbare muren ziet men zijn eigen verleden. “en ach mijn kamer ginder, onveranderd/ en onveranderbaar zolang ik duur” dicht Anton van Wilderode in "Twee Dorpen', een prachtig gedicht over zijn geboortedorp zoals het was en zoals het is. De stem van Benno Barnard die uit een heel klein luidsprekertje in een vogelkooitje komt, beweert “Eeuwig is er een rivier, niets blijvends, tussenin”. En in de kelder, weerspiegeld in de spiegelende zijkant van een erg Raveels karretje, zegt een in spiegelschrift op lichttegels geschreven gedicht van Christine D'haen: “In 't alle licht weerschitterend wit/ dringt het alle licht verslindend zwart”.

Wat doen de schilderijen en installaties van Raveel nu met de gedichten van Hugo Claus, Ed Leeflang, Remco Campert, Anna Enquist, Herman de Coninck of Eva Gerlach om maar een paar van de tentoongestelden te noemen? Hoe beeld en tekst in gesprek zijn is misschien het beste te zien in de tuin van het Douviehuis, waar een houten huisje staat, een soort saunaatje. Je mag er alleen met propere schoenen in. Binnenin is het helemaal witgeverfd, door een wit gangetje kom je in een witte kamer waarin een witte tafel staat met een stijf kunststoffen wit tafelkleed. Er staan twee stoelen, niet wit, en vier ramen geven uitzicht op buiten. Maar het zijn geen ramen, het zijn vier raamschilderijen van Raveel, omlijst door rode gordijntjes. In het kamertje klinkt de stem van Herman de Coninck die zegt: “Hij had gehoopt dat het zonder herfst kon./ Ineens sneeuw.” De geschilderde ramen geven uitzicht op een grijze zee met een boortoren, op een bloeiend veldje, op delen van witte vierkanten met een zwarte rand erom. Hier in dit kamertje kan het best zonder herfst, het kan hier zonder welk seizoen dan ook, nooit zal hier iets veranderen. Maar wat verzucht De Coninck in zijn laatste regel: “O, toen alles nog voorbij kon gaan en niets hoefde te duren.” Het kamertje wordt zo van een vrijplaats een gevangenis, het hele leven kan hier op deze stoelen worden doorgebracht. Geen afbraak, geen toekomst, keurig ingepakt voor eeuwig. De stem van De Coninck met zijn klacht om de herfst "zó eindeloos uitpakken met gemis' wordt op zijn wenken bediend door deze onvergankelijke kamer. Gedicht en kunstwerk spreken elkaar schrijnend tegen.

Zo is het op veel plekken in Watou. Wat iedereen altijd zo graag wil, een "dialoog' tussen verschillende kunsten, die vindt hier af en toe werkelijk plaats, op een stralende en lichte manier. Mandelinck kan straks tevreden weer "in het putteke van de winter' verdwijnen. Om volgende poëziezomer weer te herrijzen in een nieuw Watou, dat dan in het Watou van Hugo Claus zal veranderen.