Hel of haven?

In een sociaal raadselspel zou een lastige vraag kunnen luiden: wat is al vele malen dood verklaard en bestaat nog altijd? Godsdienst zou een antwoord kunnen zijn, evenals de psychoanalyse, maar ook het gezin zou hoog kunnen scoren. Want dit blijkt niet alleen een uiterst taai instituut, maar het krijgt ook onverminderd alles aangewreven, zowel het goede als het kwade.

In de tijd dat ik er qua levensfase het meest over nadacht, gold het gezin als benauwende vorm van leven waar geen van mijn vrienden iets voor voelde, al hebben weinigen deze afkeer volgehouden. Veel van het psychisch kwaad waar mensen aan leden werd op rekening van het gezin geschoven, in casu de ouders die vaak ongewild en ongeweten dit kwaad aanrichtten door dubbele boodschappen uit te zenden of op andere manieren verwarrend te communiceren, zoals toen de verklaring luidde. Het gezin moest worden afgeschaft, het heil gezocht in communes, LAT-relaties, co-ouderschap of wat dan ook, als het maar niet het geijkte gezinsleven werd met die vastgeroeste rolpatronen.

Toen het gezin er qua reputatie het slechtst voorstond moest incest als gezinskwaad nog ontdekt worden. Nu het in zijn volle omvang ontdekt is heeft vreemd genoeg niemand het meer over het afschaffen of anderszins openbreken van het gezin, alsof het een onvermijdelijk verschijnsel is. Of sterker nog: alsof het pas echt slecht gaat met de wereld en de moraal als het gezin op drift raakt, zoals de zorgelijke titel luidt van een lopende serie in deze krant (zie Maarten Huygen in Zaterdag Bijvoegsel 3/7 en Rita Kohnstamm op 17/7).

Is er reden voor zorgelijkheid? Ik denk het wel. Het beeld dat Maarten Huygen van het Amerikaanse gezin schetst is zelfs behoorlijk alarmerend. Veel scheidingen, veel alleenstaande moeders die zich te pletter moeten werken om het hoofd boven water te houden. Tweevijfde van de Amerikaanse kinderen brengt hun jeugd alleen met hun moeder door. En meestal in materieel weinig florissante omstandigheden: na de scheiding daalt het inkomen van de ex-vrouw gemiddeld met 30 procent, terwijl dat van de ex-man met 15 procent stijgt.

In Nederland worden de scherpe kantjes van deze inkomstendaling afgeslepen door de bijstand, maar er is eenzelfde tendens tot inkomstenwinst voor mannen en een daling voor vrouwen na echtscheiding. Weinig geld en weinig tijd voor de kinderen. En een duidelijk verband, aldus Huygen, tussen het opgroeien in éénoudergezinnen en slechte schoolcijfers, of erger nog: crimineel gedrag.

Dit verhaal behoeft precisering, en niet alleen omdat het zo somber stemt. Als het slechter gaat met de kinderen na een echtscheiding, ligt het dan aan de scheiding, aan de al langer slechte verhouding tussen de ouders, of (ook) aan de economische achteruitgang? Als het een tijdlang slechter gaat, is dat dan later ook nog het geval, en wat is slecht? Er niets van merken en dapper doorgaan kan mensen immers later opbreken, alsof de rekening naderhand alsnog gepresenteerd wordt.

Maar gaat het altijd zo slecht? Volgens de Utrechtse socioloog Ed Spruijt die onderzoek deed onder stiefgezinnen gaat het met bijna driekwart van de kinderen goed en blijken de belangrijkste problemen na twee jaar in de meeste gevallen overwonnen. Wanneer gaat het goed, wanneer niet, en waar heeft dat mee te maken: dat zijn de interessante vragen die ons verder brengen dan globale groepsgegevens. Wie bezwijken, wie handhaven zich en wie houden er iets aan over waar ze ook hun psychosociale voordeel mee kunnen doen? Echtscheidingskinderen blijken bijvoorbeeld kritischer na te denken over relaties dan kinderen uit "stabiele kerngezinnen', maar is dat een nadeel? Ze zullen misschien over meer nachten ijs gaan voor ze zich in een verhouding storten, maar met scepsis gewapend kun je je wellicht beter staande houden in de relatie-arena.

Dwars door al deze deprimerende en nuancerende gegevens dreint in mijn hoofd het familiebeeld zoals ik dat laatst weer even in een flits op de radio opving: kinderen jengelend want moe, vader boos want gerriteerd, moeder huilend want teleurgesteld. Het solide kerngezin op vakantie: toch ook, ondanks alles, geen pretje.