Gods wil en de katholieke kinderzegen; Vijfentwintig jaar HUMANAE VITAE

Jan Janssen won de Tour de France, in Parijs brak de studentenrevolutie uit en katholieke christenen kregen in dat jaar te horen dat voor hen het gebruik van de anti-conceptiepil niet geoorloofd was. De encycliek Humanae Vitae van paus Paulus VI leidde tot woedende reacties. Een kwart eeuw later staat een nieuwe encycliek voor de deur die het kerkelijke standpunt over "onnatuurlijke' geboorteregeling mogelijk nog zal aanscherpen.

We moeten bijna zeshonderd jaar terug. Naar Augustinus, een Noordafrikaanse bisschop die in zijn tijd (354-430) beslist een van de belangrijkste auteurs was op het gebied van de christelijke huwelijksmoraal.'' Dr. J.H.N. Jans is moraaltheoloog en katholiek; hij woont in Turnhout, is getrouwd, vader van twee kinderen en universitair docent aan de theologische faculteit van Tilburg. Spreekt luid, een tikje opgewonden. Hij heeft het over de rooms-katholieke huwelijksmoraal. En kan zich daarbij onmogelijk beperken tot de encycliek Humanae Vitae over de geboorteregeling die paus Paulus VI 25 jaar geleden publiceerde.

“Augustinus”, zo gaat hij verder, “heeft in zijn boek De bono conjugii op een wel heel polemische manier vastgelegd dat in het huwelijk geslachtsgemeenschap alleen is toegestaan met het oog op voortplanting (concubitus propter solam procreationem). Dus alleen als middel en nooit als doel of om het genot”. Met gevolg dat alle buiten- en voorhuwelijkse seks voor katholieken, ook al trekken weinigen zich daar iets van aan, verboden is.

Iemand die het daar volkomen mee eens is, is Gerard van den Aardweg, een katholieke, vrijgevestigde psychotherapeut in Aerdenhout. Met zijn 57 jaar maakt hij een serene en jeugdige indruk. Gruwelijk vindt hij de seksuele vrijheden die vooral sinds de jaren '60 werden gepropageerd. “Wie daar tegeninging, werd jarenlang voor hopeloos ouderwets versleten. Maar gelukkig komt er een kentering op gang in de houding dat je met seks gewoon je gang kunt gaan. Bijna niemand gelooft nog in al die overtolerantie en permissiviteit van de jaren '60. Die ideologie is aan het verbleken; het echte christelijke leven komt weer terug”.

Of dat metterdaad gebeurt, moet nog blijken. Op korte termijn wordt een nieuwe pauselijke rondzendbrief over geboorteregeling en andere ethische vraagstukken verwacht. Voor de inhoud vreest Jans het ergste. De huidige paus, Johannes Paulus II die in de jaren '60 in Polen hoogleraar in de moraalfilosofie was en toen zijn boek "Liefde en verantwoordelijkheid' (1960) schreef, heeft namelijk de reputatie veel conservatiever te zijn dan zijn voorganger van Humanae Vitae. In katholieke kringen, onder meer door de Britse Vaticaankenner Peter Hebblethwaite van het Britse blad The National Catholic Reporter, wordt hard gewerkt aan een zekere rehabilitatie van Paulus VI (1963-1978) omdat hij wel heel erg op deze encycliek is beoordeeld.

De rooms-katholieke huwelijksmoraaltheologie tussen kerkvader Augustinus en paus Paulus VI, wordt onder meer in de Encyclopedie van het katholicisme van 1954 uit te doeken gedaan. In de "volkseditie' van dat naslagwerk schreef J.H.A. Vermeulen, eertijds hoogleraar aan het voormalige groot-seminarie Rijsenburg in Driebergen, dat de centrale doelstelling van deze moraal het “ordelijk voortbestaan van het menselijk geslacht” is.

Rome vindt planning van de kinderzegen geoorloofd mits er natuurlijke middelen worden gebruikt. Dat wil zeggen dat het verloop van de geslachtsdaad niet mag worden verstoord en dat er geen bederf mag plaatsvinden van de ejaculatio in vagina. Op grond van die wet zijn alle anti-conceptiva uit den boze en wordt cotus interruptus als een ernstige zonde beschouwd, want “ieder huwelijksgebruik, bij welks uitoefening de handeling door opzettelijk menselijk ingrijpen beroofd wordt van haar kracht om leven voort te brengen, is een ingreep op de wet van God en de wet der natuur”.

Zo stond het eind 1931 in de door Pius XI (1922-1939) uitgevaardigde encycliek Casti connubii (over het kuise huwelijk). Voor het eerst werd in termen van primaire en secundaire huwelijksdoelen gesproken. Voortplanting bleef het primaat houden, maar op tweede niveau was seks ook toegestaan als middel om vreemdgaan te voorkomen, alsook met het oog op de wederzijdse liefde van man en vrouw en hun seksuele genoegen daarbij.

Op grond van de kerkelijke leer meende de Amerikaanse, katholieke gynaecoloog John Rock aan het eind van de jaren '50 dat de anticonceptiepil waarvan hij een van de uitvinders was, een uitstekende, katholieke methode voor de geboortenbeperking zou zijn. Van directe daadbelemmering was bij orale anticonceptie immers geen sprake. Toch werd zijn opvatting onmiddelijk scherp veroordeeld door het Amerikaanse episcopaat evenals door paus Pius XII (1939-1958). In Nederland liep het heel anders. Daar vertelde bisschop Bekkers van Den Bosch in 1963 op de televisie aan de Nederlandse gelovigen dat de manier van geboorteregeling een kwestie van ieders persoonlijk geweten was.

Wie dertig jaar later psycholoog Van den Aardweg hoort spreken, krijgt de indruk dat sindsdien de klad in de kerkelijke huwelijksmoraal is gekomen. “Als je anticonceptie toelaat, is het hek van de dam. Dan volgt abortus. Vervolgens euthanasie en tenslotte euthanasie van gehandicapten en de doding van pasgeboren kinderen. Dan zien we nu al: die mild verpakte ideologie van het nazisme. Ik zou willen dat mensen zich afvragen wat eigenlijk de wil van God is. Nederig zoeken daarnaar, bidden en je open te stellen voor wat je in het diepst van je geweten voelt, dat zie ik maar zelden”.

Aan het eind van het Tweede Vaticaans Concilie (1962 - 1965) dat een een vernieuwing van de roomskatholieke kerk had moeten inluiden, verwachtten velen ook een vrijere theologie inzake de huwelijksmoraal. In het conciliedocument, Gaudium et Spes (vreugde en hoop) werd vrij sterk afgeweken van de encycliek van 1931 over het kuise huwelijk, doordat de hiërarchie van seksualiteit als middel tot voortplanting en als vorm van genot werd opgeheven. Over voorbehoedmiddelen sprak het concilie niet; dat vraagstuk hoorde niet tot zijn competentie. Het was op nadrukkelijk bevel van Paulus VI toevertrouwd aan de pauselijke Commissie voor de bestudering van de demografie, het gezin en de bevolkingsaanwas.

Zestig artsen, theologen, kardinalen - onder wie de Poolse prelaat Karol Wojtyla - gingen aan het werk en waren er spoedig mee gereed. Maar Paulus zweeg. Tevergeefs want al gauw lekte het oordeel van de commissie uit: de overgrote commissiemeerderheid vond dat de leer van de kerk over anticonceptiva aan verandering toe was. Over één bepaalde methode sprak zij zich echter niet uit omdat haar leden (net als bisschop Bekkers) van oordeel waren dat de beslissing daarover een kwestie van de betrokken echtparen was.

Een minderheid van vier leden van de pauselijke commissie was tegen iedere inhoudelijke verandering van de leer en de traditie. Niet zozeer op inhoudelijke gronden, maar omdat zij van oordeel was dat het leergezag van de kerk wel heel erg zou worden uitgehold als vroegere - mede onder invloed van de Heilige Geest vastgestelde - standpunten zouden kunnen worden veranderd.

In 1968 kwam dan de encycliek Humanae vitae over snelle bevolkingsgroei, geboorteplanning, de veranderde rol van de vrouw in de maatschappij en over de menselijke begeerte, het leven en de voortplanting geheel zelf te willen bepalen. Verwacht werd dat de encycliek een herziening van morele normen zou aankondigen, maar niets was minder waar. Dr. Jans zegt dat er op dat ogenblik een complete "theologische razernij' uitbrak omdat de encycliek qua norm, noch qua theologische argumentatie aanvaardbaar was. In de encycliek wordt geschermd met het argument dat alles "de wil van God' is en dat die wil te vinden is in de biologie van man en vrouw en dat daarom elke huwelijksdaad open moet blijven voor de overdracht van menselijk leven. Jans vindt het merkwaardig dat de encycliek sommige biologische gegevenheden interpreteert als uiting van Gods wil, maar andere, even natuurlijke gegevenheden, zoals bijvoorbeeld de "natuurlijke geslachtsdrift', negatief uitlegt en oordeelt dat die beteugeld moet worden. Contraceptie is volgens Humanae Vitae uit den boze omdat de mens daardoor met God in conflict komt en zich tegen zijn wil verzet.

Van den Aardweg stelt daartegenover dat een huwelijk zonder de wil tot kinderen aboluut ongeoorloofd is. In tegenstelling tot menig modern theoloog uit de jaren '60 en '70, noemt hij de encycliek een document van grote godsdienstige overtuiging en wijsheid. “Zij stelt hoge morele eisen; zij kost mensen erg veel. Maar ze krijgen er ook veel voor terug in de vorm van stabiliteit en kwaliteit in de huwelijksverhouding”. Om diezelfde reden vindt Van den Aardweg, die in zijn praktijk veel mensen met relatieproblemen behandelt en ook als "huwelijkscounsellor' optreedt, het vijfentwintig jaar oude document een buitengewoon relevant psychologisch, moreel, sociaal en sociologische werkstuk. Hij herhaalt dat “onthouding als methode van natuurlijke gezinsplanning erg moeilijk is, maar onthouding is ook karaktervormend. Vooral voor mannen, want die hebben nu eenmaal een sterke seksuele drang. Zij moeten er voor zorgen dat de vrouw geen lustobject wordt. Dat is ze natuurlijk wel, want de vrouw wil begeerd worden, maar er moet ook respect zijn. Of er in de encycliek iets nieuws stond, daarom gaat het natuurlijk niet. Wel om de vraag welke keuzen men als christen moet maken”.

Dat de regels van Humanae Vitae voor veel mensen moeilijk te begrijpen en daardoor nauwelijks aanvaardbaar waren, bleek in 1980 bij de in dat jaar gehouden wereldbisschoppensynode over de vraagstukken van het gezin. Het wereldepiscopaat drong vervolgens aan duidelijker en bijbelser argumenten voor de leer van Humanae Vitae. Johannes Paulus II, paus geworden in 1978, bevestigde deze noodzaak, maar drukte ook een duidelijk eigen stempel op de materie van de huwelijksmoraal. In een toespraak in september 1983 zei hij dat het gebruik van voorbehoedmiddelen betekent dat echtgenoten elkaar de volledigheid van de lichamelijke zelfgave weigeren en dat dit een inbreuk op Gods rechten is om zèlf te beslissen of de geslachtsdaad al dan niet tot tot bevruchting en nieuw leven leidt. Mgr. Carlo Caffarra, directeur van het Johannes Paulus II-instituut in Rome voor de studie van huwelijk en gezin, en vertrouweling van de paus, zei het in 1988 nog scherper. “De vruchtbare geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw is de plaats waar God in de wereld komt”. Wie vruchtbaarheid dwarsboomt op de plek waar God "soevereine rechten' heeft, komt dus aan God zelf. Volgens dr. Jans is deze door de paus gedeelde opvatting niet alleen theologisch onhoudbaar, maar heeft zij ook ondenkbare consequenties voor de vraag hoe men aankijkt tegen bevruchting als gevolg van verkrachting.

Paus Johannes Paulus II vindt echter, zo zei hij op 12 november 1988 in Rome, dat de leer van de kerk over de contraceptiva niet door het kerkelijk leergezag is uitgevonden, maar “door de God zelf in de natuur van de mens is ingeschreven”. Hiermee heeft hij volgens Jans aangegeven dat over Humanae Vitae eenvoudigweg niet meer gediscussieerd mag en kan worden. Spoedig wordt de nieuwe encycliek verwacht. Volgens Jans valt te vrezen dat dit document de encycliek van Paulus VI volledig zal bevestigen en zozeer zal aanscherpen dat het leergezag van de kerk het werkelijk voor totaal ongeoorloofd houdt nog enige twijfel te hebben omtrent de encycliek van 25 juli 1968.