Een renner komt naar huis, maar daarom is het nog niet voorbij

PARIJS, 26 JULI. Een renner keert naar huis. Hij zet zich aan de keukentafel. Hij zwijgt.

Hij voelt niet dat zijn zoontje aan zijn knie trekt. “Papa, kom je spelen?” Hij ziet niet dat zijn vrouw beslist haar hoofd schudt. “Laat papa maar met rust.” Zijn koffie wordt koud in de mok.

Hij is voor hen een vreemde. Zij zijn vreemden voor hem.

Ze hebben het over de kat van de buren die jongen heeft gekregen. Net dotjes wol. En dat ze niet eens naar het zwembad konden, zo'n slecht weer is het geweest. Dat de franc in waarde is verminderd, hij heeft het niet gemerkt.

Zijn leven de laatste drie weken, dat was de Tour. Zijn wereld, dat was de Tour. Daarbuiten was geen leven. Daarbinnen moest je overleven. Bestaan vernauwd tot beukende benen. De tredmolen van de Tour.

Op het laatst had hij niet meer geweten welke dag het was, in welke stad hij was. Het had hem niks kunnen schelen. Met steeds grotere weerzin had hij zich bij het ontbijt door de spaghetti heen gewerkt. Zolang je niks voelde, dan ging het nog wel.

Hoe het was? Alsof hij dat ooit onder woorden kan brengen. Alsof hij dat zou willen. Dan moet hij zich herinneren, hij die niets liever dan vergeten wil. Hij weet toch: wie terugkeert uit de onderwereld, kijkt niet om.

Hij kan toch niet vertellen dat hij bijna stilstond op de Col de la Bonette. Hoe hij ook maalde met die benen, die helemaal zelfstandig pedaleerden, die niets meer met hem te maken wilden hebben, hij kwam geen centimeter verder. Hij had het gevoel dat hij al uren sur place stond, vastgeklonken aan die berg. Daar schaamt hij zich voor.

Hij kan toch ook niet vertellen van zijn valangst. Van zijn klapperende kaken als hij zich met 100 kilometer in het uur van de berg stort. Van zijn witte knokkels als de supportersschare nog maar net voor hem wijkt. Want een renner mag niet bang zijn. Wat je vreest, roep je op.

En hij wil niks zeggen over zijn vertwijfeling in Saint-Lary-Soulan. De kopman was al naar het hotel gebracht, zo'n 20 kilometer verder. Zo ging het wel vaker. De knechten konden volgen op de fiets. Maar dit keer was hij de laatste van zijn ploeg geweest. Hij had de weg niet goed geweten. Hoe heette dat hotel ook weer? Zo had hij na ruim acht uur koersen nog twee uur door de streek gedoold. Nergens had hij durven vragen. Tourfietsers die Induraintje speelden, hadden hem grijnslachend ingehaald.

En dat hij in de etappe naar Pau zomaar in de greppel is gereden. Van pure vermoeidheid. Dat omstanders hem weer op de fiets hebben gezet. En dat hij weer verder was gereden. Omdat zijn lijf niet beter wist. Dat weet hijzelf al niet meer.

Zoals hij ook niet meer wil weten dat hij na die laatste tijdrit tien minuten als een lijk over het stuur heeft gehangen. Terwijl hij nog niet eens 40 kilometer in het uur had gereden. De soigneur had hem twee keer op zijn wang geslagen. Klodders slijm waren uit zijn mond gedropen. Hij had bloed gespuwd.

Een renner keert naar huis. Zijn vrouw wil alle wonden helen. Ze aait hem als een kind. Waarom zijn huid dan toch verhardt bij elke streling? Hij kan geen aanraking meer velen. Onaanraakbaar zou hij willen zijn.

Een renner komt naar huis. Maar daarom is zijn Tour nog niet voorbij.