San Pedro en de geur van gisteren

Kloosters liggen meestal op stille, onherbergzame plaatsen, waar weinigen de monniken en nonnen in hun meditatie en gebed kunnen storen. Of niet? Correspondenten van NRC Handelsblad bezochten een aantal kloosters in de wereld. Vandaag deel vier, het Spaanse klooster San Pedro de Cardeña.

CASTRILLO DEL VAL, 24 JULI. Waarom de kerkelijke kunst van vroeger zo prachtig is en die van tegenwoordig zo intens lelijk, is één van die levensvragen waar de moderne mens mee worstelt en geen antwoord op vindt. De bezoeker heeft niettemin alle tijd om over de kwestie te mediteren in de antichambre van het klooster San Pedro de Cardeña, waar de gastenpater ruim een half uur op zich wachten laat. De portier heeft zwijgend een stoel aangewezen. Hij ziet er vriendelijk uit, maar op zijn loge hangt een bord met het verzoek om alle mededelingen kort te houden. Kletspraatjes worden niet op prijs gesteld.

Als het gaat om lelijkheid zijn de wacht-en spreekkamers in pastorieën, kloosters en bisschoppelijke paleizen meestal nog een paar graden erger dan de ruimten bestemd voor eredienst en gebed. In de branding tussen kerk en wereld slingeren goedbedoelde geschenken en overtollige devotie-artikelen woest dooreen. Neogothische ameublementen uit de nalatenschap van vrome weduwen staan naast bidstoelen waarin nooit meer gebeden wordt, schilderijen van beminde gelovigen hangen tussen kalenders zonder maat en tal. Het ruikt er naar trijp en het eten van gisteren. En altijd ligt er linoleum op de vloer. In Cardeña is het niet anders.

De gastenpater is ook al een man van weinig woorden. Hij wijst de cel. Die bevat een bed, een tafel, een stoel, een lamp aan een draad uit het plafond. Aan de muur een kruisbeeld met een verdroogd takje erachter. Uitzicht op groene heuvels. Op de deur is een reglement geprikt. Van de gast wordt verwacht dat hij op tijd is voor de maaltijden en zijn aanwezigheid bij de vroegmis en het avondgebed wordt op prijs gesteld. Het aanspreken van de monniken - met uitzondering van portier, gastenpater en abt - is verboden. Wanneer dat allemaal gememoriseerd is, wenkt de gids en loopt door lange gangen naar het claustrum. De gangen zijn wit en nieuw en op sommige plaatsen voorzien van geel glas dat lijkt op flessebodems, zodat de kloosterhof onzichtbaar blijft. Zulk glas wordt ook wel gebruikt in bierhallen en pannekoekenhuizen, maar dan zit er niets achter.

Het claustrum is het deel van het gebouw waar de kloosterlingen in hun afzondering wonen, de logés mogen er alleen in op de uren van het gebed. Zeven dagen per week draait de molen van psalmen volgens een vast stramien. De lauden worden om half acht 's ochtends, met de mis, in de kerk gezongen, evenals de completen, om kwart over negen 's avonds. Voor de terts om half tien, de sext om tien over half twee, de noen om kwart voor vier, de vespers om kwart over zeven en de metten om drie uur 's nachts is een kleine kapel ingericht.

Er staat een elektrisch orgeltje, het is er warm en tegen de achterwand heeft een hedendaags kunstenaar een immens tegeltableau aangebracht waarop men de monniken doende ziet met hun dagelijkse bezigheden. Behalve bidden is dit: tuinieren, het bottelen van wijn en likeur, het fokken van patrijzen, het laven en spijzigen van reizigers, lezen en schrijven.

Achttien mannen schuifelen op de voorgeschreven uren in de banken. De oudste is zesennegentig, de jongste drieëntwintig. Hun gezichten zijn herkenbaar afgebeeld op de tegels en dat is helaas ook meteen de enige verdienste van het werkstuk. Maar misschien is het wel heel goed dat er zo weinig kunstvreugde valt te beleven in San Pedro de Cardeña. Wie met het kloosterleven wil kennismaken, doet er slecht aan bij de esthetiek te beginnen. Daar is het de monniken ook niet om te doen. Ze gapen veel onder het zingen.

De huidige rijkdom van het klooster mag dan relatief gering zijn, San Pedro de Cardeña heeft een rijke historie. Het ligt in een vouw van het landschap, zo'n negen kilometer van de stad Burgos, waar het altijd koud is. Naar men aanneemt werd het in de zesde eeuw door Benedictijner monniken gesticht, al zijn de eerste schriftelijke bewijzen voor het bestaan pas uit de achtste eeuw.

Op woensdag 6 augustus 834 werd het door een Arabische legertroep geplunderd en platgebrand. De abt en tweehonderd monniken zouden daarbij om het leven zijn gekomen en later op de binnenplaats zijn begraven. De eerste kroniek die daarvan melding maakt is echter een eeuw na dato geschreven en daarom heeft er altijd enige twijfel bestaan aan de precieze toedracht van de gebeurtenissen. Twijfel die een hevige devotie voor de martelaren nauwelijks in de weg stond en evenmin een enorme verspreiding van de botten die inderdaad in de bodem werden aangetroffen. Doordat er zoveel relieken beschikbaar waren, konden ze naar heel Europa en ook naar Amerika en Azië worden verstuurd. De kerk was de eerste gewiekste multinational.

Aan het eind van de negende eeuw was Cardeña weer opgebouwd, voorzien van uitgestrekte landerijen om de bewoners te onderhouden en in het bezit van een rijke bibliotheek en een vermaard scriptorium, waar nieuwe handschriften werden afgeschreven. Vanaf 902 is de administratie goed bewaard gebleven, zodat niet alleen de namen van de abten maar ook het economisch wel en wee van de gemeenschap bekend zijn. De hertogen van Castilië lieten zich in de tiende en elfde eeuw begraven in de kerk van wat inmiddels het belangrijkste klooster op hun grondgebied was.

In de vijftiende eeuw werd de romaanse kerk vervangen door een groter bouwsel met spitsbogen, al bleef de toren staan, en in de zestiende eeuw kreeg de gevel van het klooster een strenger aanzicht met 400 onversierde ramen in de neoklassieke stijl van het Escorial, de nieuwe zakelijkheid van die tijd. Boven de hoofdingang werd later een ornament aangebracht waarop de beroemdste bewoner van Cardeña is afgebeeld: Rodrigo Dáz, bijgenaamd El Cid.

De huurling die zowel de koning van Castilië als diens Arabische rivaal diende, was bevriend met de abt en liet zijn vrouw en twee dochters in het klooster achter toen hij de eerste keer uit zijn geboortestreek werd verbannen. Na zijn dood werd zijn gebalsemde lijk in een ivoren zetel naast het hoofdaltaar geplant, tot het uit elkaar begon te vallen. Toen is het bijgezet in een zijkapel, waar ook de rest van zijn gezin, zijn onechtelijke kinderen en zijn schoonzonen werden begraven.

Het praalgraf is er nog, in de verder kale kerk, maar het is leeg. In 1808 plunderden de troepen van Napoleon kerk en klooster en gooiden de botten van de held over de grond. Later werden ze naar de kathedraal van Burgos overgebracht. Gelukkig werden in 1947 in het park de botten van Babieca, het paard van de Cid, opgegraven. Wanneer de gasten nu het verblijf in hun cel moe zijn en een wandeling maken door de natuur, die wel beweegt maar niet verandert, komen ze langs de grafsteen die op kosten van de hertog van Alva voor het trouwe dier is opgericht.

In 1836 werden alle kerkelijke bezittingen in Spanje verbeurd verklaard en de kloosterorden van overheidswege opgeheven. Er is nauwelijks een klooster in het land waar de gevolgen van deze desamortización niet zichtbaar zijn in de vorm van kunsthistorische gaten, vreemde lacunes in de architectuur en de aankleding. Behalve een nationalisering was de maatregel namelijk ook een verlate beeldenstorm, gevoed door een tot op de dag van vandaag voortlevende traditie van hevig antiklerikalisme.

Cardeña werd geheel verlaten. De gebouwen vervielen, de laatste schatten werden weggehaald. Omstreeks de eeuwwisseling probeerden Franse Trappisten in de runes opnieuw een gemeenschap te stichten maar al na korte tijd werden ze verdreven door de kou. Pas in 1942 waagde een groep Cisterciënser monniken het opnieuw. De eerste jaren moesten ze het vervallen gebouw nog delen met vierduizend krijgsgevangenen uit de Burgeroorlog. Dwangarbeid hielp het herstel, maar die episode wil men nu maar het liefst vergeten.

Wie zich tegenwoordig een tijdlang achter de muren van Cardeña laat opsluiten, doet dat vrijwillig. Sommigen noemen zo'n verblijf retraite of bezinning, anderen hebben het over tot je zelf komen of nadenken. Maar in alle gevallen gaat het er om even aan de dagelijkse vrijheid met zijn duizend keuzemogelijkheden te ontsnappen en aan het razende voortsnellen van de tijd.

In Spanje zijn nog (of: weer) een kleine duizend kloosters, vijfendertig voor mannen en 936 voor vrouwen, met in totaal zo'n vijftienduizend vaste bewoners. De meeste nemen gasten op, tegen een geringe vergoeding waarvan men de hoogte vaak zelf bepaalt. De belangstelling voor zo'n logeerpartij is groot, groter in ieder geval dan die voor het full time-kloosterleven.

De gasten eten in een eigen zaaltje. Het is een gemengd gezelschap en van sommigen is een scherfje af, maar de stemming is geanimeerd. Er is een bankier uit Sevilla, die net zijn zuster heeft begraven. Er is een echtpaar met twee kinderen, van wie één een dwerg is. Een gepensioneerde stationschef uit Asturië. Twee jongens in trainingspakken. Een mevrouw uit Burgos die graag iets wil vertellen maar steeds na twee zinnen afbreekt, haar hoofd schudt en zegt: “Nog niet. Morgen misschien.”

En twee vrolijke jonge priesters in truien en polohemden, die na de maaltijd vaak een naburig café induiken om koffie te drinken en te praten over de jacht, de politiek en het stierenvechten. Er worden ervaringen uitgewisseld en vergelijkingen gemaakt met de gastvrijheid in andere kloosters. Cardeña scoort hoog, onder meer wegens het eten. Maar de Cisterciënsers zijn een slordige orde, vinden de pastoors. Dat kun je zien aan de vuile pijen en het stof achter het altaar. Voor spectaculair ceremonieel moet je naar de Benedictijnen.

Wanneer de bankier vertelt dat hij een vrijend paar heeft weggejaagd uit de kloosterpoort, wordt hij door de priesters in de tang genomen. “Beter daar dan in de open lucht.” “Doet u liever iets aan de woningnood.” Tijdens volgende maaltijden brengen ze het gesprek met graagte op seks en moraal. De bankier laat zich goeiig pesten.

De stationschef hinkt. Hij heeft zijn knie verstuikt toen hij in Burgos uit een trein sprong die vijfentwintig minuten te laat was en toen de passagiers geen tijd liet om uit te stappen. Hij zal een brief naar de spoorwegen schrijven. Maar even later zegt hij: “Ik ben negenënzestig, maar ik tel geen jaren. De jaren tellen mij. De tijd verstrijkt niet. Wij verstrijken.”

Sommige gasten helpen in de tuin van het klooster, maar de meeste zijn met zichzelf bezig en lang niet iedereen volgt de dagindeling van de zwijgzame monniken. Daarin zijn de gebeden het stramien, dat is te begrijpen. Maar ook de hoofdzaak - en dat is moeilijker te aanvaarden. Wie van buiten komt, kijkt aldoor zenuwachtig op zijn horloge om te weten hoeveel minuten hij nog heeft voor de volgende dienst begint. Je blijft de gebeden zien als een onderbreking van je werk, terwijl de monniken weten dat het werk niet meer is dan een onderbreking van hun gebeden. Ze zijn hier niet voor zichzelf, maar om zichzelf te vergeten. Ze zorgen er voor dat er dag en nacht een "maalstroom van stilte' (zoals Pieter van der Meer het ooit heeft uitgedrukt) en een ketting van gebeden opstijgt naar de Heer.

Wie wil, went wel aan het ritme. Psalmgezang met orgeltje, eten, weer psalmgezang, eten, en aan het eind van de dag de completen die in dit jaargetij besloten worden met de mooiste Maria-antifoon die er is: het Salve Regina. Van buiten valt het laatste daglicht door de ruiten en over het lege graf van de Cid, binnen is er één lamp op het beeld van de maagd boven het altaar gericht en buigen achttien gestalten in witte koorhemden zich zingend in Haar richting.

Het beeld zelf is waardeloos, maar de gebeurtenis zeer indringend: lelijkheid door traditie opgeheven. Rodrigo, in zijn groene trainingspak, was jaren niet meer in een kerk geweest en ging de eerste keer dat hij het meemaakte compleet uit zijn dak, om even later snakkend naar adem op zijn bed neer te vallen. De monniken verlaten in een stille rij onaangedaan de kerk om te gaan slapen. Iedereen gaat om tien uur naar bed. Er is geen ontspanning, want er is geen spanning. Geen kranten in ieder geval, geen radio, geen televisie. Als de Moren of de Fransen straks weer voor de poort staan, merken we dat pas op het laatste moment.

Wie na drie dagen weer buiten staat, heeft natuurlijk niets begrepen van het kloosterleven. Dat kan alleen wanneer je blijft, met het idee dat er in dit bestaan, en vermoedelijk ook in het volgende, geen einde meer aan komt. Part time-monniken bestaan niet. Dit werk valt per definitie niet uit te proberen. En alsof de duvel er mee speelt komt er op het moment dat je dat bedenkt een oude man met een videocamera naast je staan, een toerist die vertelt dat hij vijftig jaar geleden achter die muren opgesloten heeft gezeten, hij was piloot voor de Republikeinen, en dat hij nog iedere dag God dankt dat hij in vrijheid kan gaan en staan waar hij wil.

Monnikenwerk is zoiets als straatvegen en kolen delven. Geen carrière waar de meeste mensen zelf voor voelen, maar een zwaar karwei waarvan je blij bent dat het door anderen voor je wordt gedaan.