Ruzie Griekse metropolieten dreigt in schisma te ontaarden

ATHENE, 24 JULI. Een aartsbisschop die een ex-minister, nu EG-commissaris, uitscheldt voor teneké (prul), priesters die voor de televisie brullen dat doop- en huwelijksacten, ondertekend door die en die metropoliet, ongeldig zijn. De Grieks-orthodoxe kerk heeft zich weer eens gestort in een onderling conflict dat op een schisma lijkt uit te lopen, ditmaal over de vraag: mogen kerkelijke figuren bij onderlinge geschillen op de rechtspraak van de staat terugvallen? Het wordt op primitieve en schreeuwerige wijze uitgevochten, juist nu het prestige van de kerk leek versterkt doordat veel Grieken haar symbolische functie weer hoger gingen waarderen dan haar feitelijke verrichtingen van de laatste twintig, dertig jaar.

De Balkan-crisis en de voor Griekenland negatieve factoren die daarin meespelen, het gevoel te worden bedreigd door Turk en paus en ook te worden gekritiseerd door de rest van de wereld, leidde ertoe dat men zich weer meer op de rol van de orthodoxe kerk ging bezinnen. “Die is tenminste helemaal van ons, die kan niemand ons afnemen.” Oude clericale, politieke en persoonlijke bezwaren die men tegen de verschillende kerkvorsten mocht hebben, gleden daarbij weg naar een verleden dat langzamerhand vergeten leek te kunnen worden.

Men denkt dan in de eerste plaats aan de kolonelsdictatuur van 1967 tot 1974, waarin de Griekse kerk, op misschien een metropoliet na - Dorótheos Syros die politieke gevangenen in hun concentratiekamp bezocht - een totaal gedesinteresseerde en slaafse rol heeft ingenomen, die doet denken aan de passiviteit van andere "autokefale' kerken onder communistisch bewind in Rusland, Roemenië en Bulgarije. Erger nog, behalve twee staatsgrepen hebben er in deze periode ook twee "kerkgrepen' plaatsgehad, waarbij de militaire machthebbers langs "onorthodoxe' weg favoriete aartsbisschoppen in het zadel hielpen. En het nu losgebarsten conflict gaat, ongelukkig genoeg, terug op deze spookachtige periode die menigeen voor afgesloten waande.

De eerste "kerkgreep' geschiedde kort na de staatsgreep van 21 april 1967 onder auspiciën van dictator Papadopoulos die de kerk wilde inschakelen in zijn streven, “een nieuw type Griek te creëren dat de perfectie benaderde”. Daartoe moest de 85 jaar oude en zieke aartsbisschop Chrisóstomos het veld ruimen - er werd een leeftijdlimiet van tachtig jaar ingesteld - waarna een van boven ingestelde zevenkoppige "Synode der Besten' de 67-jarige hofprediker Kotsónis tot aartsbisschop koos, onder de naam Hierónymos.

Het was tevens een poging, de jonge koning Konstantijn te winnen voor de staatsgreep die zonder zijn voorkennis had plaatsgehad. Hierónymos was een enigszins "moderne' figuur, voorstander van toenadering tot de katholieke en protestantse kerken. Maar hij was ook een produkt van enkele machtige lekenorganisaties binnen de orthodoxe kerk, die nog steeds bestaan onder de namen Zo (Leven) en Sotira (Redder) en die op hun beurt weer connecties hadden met het veiligheidsapparaat.

In de jaren die volgden wist Hierónymos veel van zijn aanhangers op bisschops- ofwel metropolietentronen te krijgen. De staatsgreep tegen Papadopoulos, eind 1973, die brigade-generaal Joannidis aan de macht bracht, leidde echter tot een nieuwe "kerkgreep', waarbij Hierónymos en twaalf van zijn metropolieten het veld moesten ruimen. Uitdrukkelijk werd gesteld dat zij niet bij de Raad van State konden aankloppen om rechtsherstel te krijgen.

De nieuwe aartsbisschop, een vriend en streekgenoot van Joannidis, was Serafm, die nu als tachtigjarige nog steeds regeert en presidenten en premiers van elke snit, van junta tot socialist, heeft beëdigd. Hij is vroeger partizaan geweest en het is nog steeds een ruige figuur, die zelden een blad voor de mond neemt en wiens taal dan ook weinig "kerks' overkomt. Menigeen zag in hem tot voor kort nog altijd het "juntaprodukt' maar in de als dreigend gevoelde situatie waarin het land kwam te verkeren rees hij, ook bij de linkerzijde, op als figuur van nationale proporties waarmee de natie haar voordeel kon doen.

De jongste crisis heeft de problematiek van 1967 tot 1974 echter levensgroot teruggeroepen. Drie nog levende Hierónymos-metropolieten, sinds 1974 van een bisdom verstoken, hebben hun zaak aanhangig gemaakt bij de Raad van State van de republiek, nadat een minister - bovengenoemd "prul' genaamd Paleokrasás - daartoe ongemerkt een wetsamendement had doorgedreven. De Raad heeft hen intussen in het gelijk gesteld, en twee hunner hebben inmiddels hun oude diocees, dat vacant was geraakt, weer in bezit genomen, enthousiast gesteund door een deel van het kerkvolk, voornamelijk Zo- en Sotira-aanhangers. Het gaat om Lárissa in Midden-Griekenland en Kifissiá bij Athene.

Serafm, die pretendeert in 1974 “de canonieke orde van de kerk te hebben hersteld”, en de meesten zijner bisschoppen proclameren dat de staat niets heeft te maken met de innerlijke structuur van de kerk, en hij kreeg daarin bijval van de oecumenische patriarch in Istanbul en andere buitenlandse kerkvorsten. Hij liet twee "waarnemers' voor de betreffende bisdommen aanwijzen. Een officier van justitie opende daarop rechtsvervolging tegen Serafm en zijn hele Synode, maar daarop ontstond zulk een tumult - ook bij de socialistische oppositie die er weer een argument tegen premier Mitsotakis bij kreeg - dat de minister van justitie zich haastte de rechtsvervolging te staken.

De Hiërarchie, de vergadering van alle 77 metropolieten, kwam op haar beurt met een opmerkelijk verzoeningsvoorstel: voor de betreffende drie zouden stukken uit grotere bisdommen worden afgescheiden, en met deze dwergbisdommetjes zouden zij dan genoegen moeten nemen. Het werd afgewezen - ook het plaatselijke kerkvolk toonde zich nu beledigd.

Een schisma dreigt, maar vooral een ontluistering van een lichaam waarvan, naar zowat de hele Griekse pers klaagt, nu juist meer dan ooit werd verwacht. Vooral van intellectuele zijde wordt meer en meer geroepen om een scheiding tussen kerk en staat - waarvoor een grondwetswijziging is vereist - terwijl de houding van het gewone volk wordt belichaamd door dat oude, vrome vrouwtje dat op de televisie pruttelde: “Ik begrijp er helemaal niets meer van.”