PERSPRIVILEGE

Hoewel de kop boven zijn bijdrage ("Lacunes in voorstellen Jurgens over privilege pers', opiniepagina, 1 juli) anders doet vermoeden, is prof. M.L. Snijders het in grote lijnen eens met de indiening van de ontwerp-wet op het journalistieke privilege en de inhoud ervan.

Snijders' kritiek beperkt zich eigenlijk tot twee punten: de ruimte die de rechter wordt gelaten om de wet naar eigen goeddunken te interpreteren, en het ontbreken van een omschrijving van de wijze waarop de rechter in voorkomende gevallen met de afweging van de belangen zou moeten omgaan.

Tegen het eerste kritiekpunt kan worden ingebracht dat het voorstel een duidelijk "ja-tenzij'-karakter draagt. De rechter zal dan ook verplicht zijn een interpretatie toe te passen die zoveel mogelijk recht doet aan het belang van de vrije informatiestroom. De geest van de wet verbiedt in feite een uitholling van het journalistieke privilege in de door Snijders gevreesde zin.

Voor een beschrijving van de casustiek kan worden verwezen naar de Amerikaanse en Duitse rechtspraktijk, die uitgebreid is gedocumenteerd in de bron waaruit het wetsontwerp is voortgesproten. Casustiek hoort niet in een wet thuis.

Tenslotte nog de opmerking dat Snijders enigszins de mist in gaat als hij de rechterlijke belangenafweging koppelt aan de door hem genoemde KGB-affaire. In dat geval ging het om een civiele procedure. De in het voorstel geformuleerde belangenafweging komt uitsluitend ter sprake in strafzaken.