Oud in de Alexanderpolder; De toekomst is voorbij

"De Alexanderpolder, waar de stad verder gaat' is de titel van een manifestatie die de Rotterdamse Kunststichting dit jaar wijdt aan het wonen, leven en werken in nieuwbouwbuurten. De nadruk valt op Het Lage Land en Ommoord, twee als saai aangemerkte wijken aan de oostkant van Rotterdam waarover de bevolking geen kwaad wil horen. Lange tijd heerste er een sfeer van idealisme, maar inmiddels is veel veranderd: de kinderen trokken weg, de ouderen bleven achter en de eenzaamheid nam toe. Deel twee van "Een stad op dik water'.

De sociale dienst van de gemeente constateerde indertijd dat de jeugdige "starters' in de Alexanderpolder een hoog aspiratieniveau hadden. Vijfentwintig jaar later geeft de Sociale Kaart aan dat dit juist was gezien. Velen van hen hebben het, zoals het heet, goed gedaan: op kantoor bereikten zij een behoorlijke positie, hun kinderen kregen een goede opleiding en nu leven ze (voor zover niet verhuisd naar een villabuurt) in redelijke welstand tussen het groen van een volgroeide buitenwijk. Bewoners melden zelfs dat er veel verborgen rijkdom is. Op zittingen van de belastingdienst, zo vertellen ze, komen "oude wijfjes' met een jaarinkomen van een ton en bezittingen die daar het drie- of viervoudige van bedragen. En naar zij weten is het bij inbraken niet ongewoon dat 20 à 30.000 gulden aan baar geld wordt buit gemaakt.

Ook een groot deel van de wat jongere polderbewoners heeft geen reden tot klagen. Een lerares van het Emmaüs College kwalificeert de scholieren als welvaartskinderen. ""De meesten zijn plezierig maar een beetje verwend. Ze hebben allemaal een mooie fiets, rollerskates, een duur jack en het juiste soort schoenen, bijvoorbeeld Nikes met luchtvering. Al die dingen vinden zij vanzelfsprekend, ze beseffen niet in een bevoorrechte positie te verkeren. Daar staat tegenover dat velen van hen onder grote druk leven. Thuis koestert men hoge verwachtingen van ze en als daaraan niet wordt voldaan, komt dit hard aan. De ouders zijn in zo'n geval ontdaan, ze beseffen dan dat hun kinderen het minder goed zullen krijgen dan zij. Zelf maak ik me ook wel zorgen: hoe moeten jongeren die alles hebben straks wennen aan een situatie waarin ze zichzelf moeten redden?''

Naast de grote groep welgestelden is er ook nu al een categorie waarvoor de term "stille armoe' wordt gebruikt. Verschillende instellingen en instanties spreken over een verheimelijkte onderklasse, vooral bestaande uit gescheiden vrouwen en AOW-trekkers: een groep die "terugvalt naar de jaren dertig en zich alleen op zondag een balletje gehakt permitteert'. Hoewel men probeert niet zichtbaar af te wijken van de heersende levensstijl, vormt het inschrijfgeld voor een cursus of de contributie van de kaartclub voor steeds meer mensen een barrière. In ernstiger gevallen stokt de aflossing van de hypotheek of ontstaan er huurschulden.

Vaker dan vroeger is er sprake van huisuitzetting. ""In het verleden konden we in deze situaties nog bemiddelen, maar nu de corporaties een andere lijn volgen is dat moeilijker'', zeggen maatschappelijk werksters. ""Het komt erop neer dat we zulke mensen tegenwoordig alleen nog maar de weg kunnen wijzen. Als ze dan elders nul op het rekest krijgen, raken ze op drift. Een vrouw komt bijvoorbeeld in huis bij familieleden, terwijl de sociale dienst haar man in een simpel pensionnetje plaatst. Daar kan hij maar tijdelijk blijven, zodat hij op een gegeven moment op straat komt te staan. Mede door deze gang van zaken neemt het aantal zwervers enorm toe, daar kunnen we ons in Nederland over schamen.''

Veroudering

Een bijzondere bron van zorg vormt in de Alexanderpolder de veroudering van de bevolking. De gevolgen daarvan waren al vroeg merkbaar bij Patisserie Lion, een banketbakker die met drie filialen in deze wijken sneller dan wie ook veranderingen opmerkt. ""In de beginjaren hadden we een reusachtige afzet aan kindertaarten'', aldus directeur Cohen. ""Naderhand volgde een hausse in bruidstaarten en nu zitten we alweer geruime tijd in de Abrahams. Een paar jaar geleden verkochten we er zeven op een dag, dat was tekenend.'' Anderen noemen Ommoord en Het Lage Land nu één groot bejaarden-oord waar alles op ouderen is afgestemd. ""In onze flat wonen alle oude knarren op de onderste etage, dat is makkelijk voor de brancards'', zegt een jongen. ""Bij alles wordt hier het eerst aan hen gedacht; voor ons is dat niet leuk, maar zij komen niets te kort.''

Maatschappelijk werksters weten wel beter. Veel ouderen worden door de huisarts naar hen verwezen omdat zij hoofdpijn hebben, zich down voelen of af en toe buiten bewustzijn raken. ""Als we daar dan wat dieper op ingaan, blijkt meestal dat eenzaamheid de oorzaak is. Door wat zij zijn kwijt geraakt - hun partner, soms ook een kind - staan veel ouderen wankel in het leven. Sommigen vinden houvast in de kerk, maar anderen blijven vaak steken in het rouwproces. Een 74-jarige vrouw in zulke omstandigheden zei laatst: "Waarom zou ik doorgaan? Ik denk dat ik maar ga zwerven'. In zo'n geval kan je alleen hulp aanbieden, maar of dat aanslaat is de vraag.''

De kansen op succes zijn niet gunstig nu velen erover klagen dat "de mensen in de wijk' koeler en minder coulant met elkaar omgaan dan vroeger. Wat dit betreft hangt kennelijk veel af van de plek waar iemand woont: in bepaalde flats gaat alles nog altijd naar wens, maar er zijn woonblokken en straten waar men de afstandelijke sfeer van een samenleving van tweeverdieners proeft.

Een enkeling doet zijn best het isolement te doorbreken. ""Je moet gewoon naar de mensen toestappen'', stelt een kordate vrouw. ""Tegen een weduwe die alleen maar achter de ramen zat te huilen, heb ik gezegd: "Kom op Alie, als je zo doorgaat, ben je er geweest'. Tegen haar zin heb ik haar meegenomen en met anderen in contact gebracht. Dank zij een baantje heeft ze het nu zo druk als een pruikenmaker.'' Toch is deze benadering niet altijd de oplossing, vindt een nog vrij jeugdige bewoner van een bejaardencomplex. ""Neem dat mevrouwtje met die boodschappentas'', zegt hij, naar buiten wijzend. ""Voor haar is het feest weer voorbij, de rest van de week zit ze alleen in haar kamertje. Daar kan je haar wel uithalen, maar de vraag is of ze dat wil. Ze kiezen soms voor de eenzaamheid.''

De 91-jarige meneer Unger, een paar huisjes verder, heeft er na verloop van tijd mee leren leven. ""Na de dood van mijn vrouw voelde ik me eenzaam en verlaten. Daar kom ik nooit overheen, dacht ik, maar het gekke is dat ik na zeven jaar merk dat het slijt. Eens in de veertien dagen komt er nu iemand langs van de zorgbemiddeling, een heel aardige vrouw; de rest van de tijd zit ik hier in m'n eentje. Eenmaal raakte ik er van de kook van, maar verder gaat het goed. Ik vind het nu niet meer erg om alleen te zijn.''

Maatgevend is zijn ervaring niet. Velen willen graag contact met anderen, maar voelen zich daartoe onmachtig. Hoewel de details verschillen, komen de verhalen hierover steeds op hetzelfde neer: "ze kan nauwelijks voor zichzelf zorgen, laat staan bezoek ontvangen'; "een afstand van vijftig meter is voor haar onneembaar', "hij is helemaal helder, maar kan nog geen koffiepot optillen'; "eenmaal buiten de deur is die mevrouw van beneden bang dat ze onderuit wordt gelopen, dus blijft ze maar binnen.'

Een andere vrouw zegt de gevangene te zijn van depressies. ""Ze komen opeens op, ik weet niet waarvandaan. Als je hier zo alleen zit op de zevende etage duurt een week lang en dan ga je vanzelf piekeren. Ik wil wel met anderen praten, maar ik weet niet hoe dat moet. Na al die jaren ken ik hier niemand: we knikken naar elkaar in de lift, zeggen "Hallo, wat een eng weer vandaag' en dan gaan we weer. Een keer vroeg iemand of ik 's thee kwam drinken, maar dat doe je niet zomaar. Wat zouden die jonge mensen wel niet denken als ze me opeens voor de deur zagen staan! Soms denk ik: ik zou nog weleens willen lopen door de Exercitiestraat in Crooswijk en bij nummer 24 naar boven willen gaan... je weet maar nooit, misschien staan de spullen er nog waar we 31 jaar tussen hebben gewoond. Maar met dat soort zaken val ik de kinderen niet lastig, je wordt gauw een zeurpiet.''

Rollade

Over "de kinderen', vooral die van anderen, hebben nogal wat ouderen geen hoge dunk. ""Gelukkig gaat het bij ons goed'', verzekert een echtpaar in een verzorgingshuis. ""Onze kinderen zeggen: "Pa en Ma, maak al het geld maar op, dan kunnen wij er tenminste geen ruzie over krijgen'. Daarom leven we er met z'n tweeën nog goed van; als het zo uitkomt, kopen wij een rollade. Bij de meesten gaat het wel anders toe. Veel mensen hier zien de kinderen alleen als ze hun uitkering krijgen. Dan moeten ze al hun geld afstaan.'' Een weduwnaar beaamt dat de jongeren materialistisch zijn. ""Voor oma hebben ze geen tijd meer. Ik maak mee hoe het gaat: "Zet haar hier maar neer', wordt er gezegd en daarna zie je ze niet vaak meer. Onze toekomst is voorbij, dat merk je elke dag opnieuw. Maar er mag dan onder de mensen geen liefde meer zijn, ze regelen wel een goede verzorging.''

Enig tegenwicht voor eenzaamheid biedt soms dagverzorging, iets dat ook voor ouderen in andere situaties een oplossing kan betekenen. Het beperkte aantal mensen dat daar om financiële redenen gebruik van kan maken, brengt één of twee ochtenden per week door in een verzorgingshuis. Zo verblijft de mevrouw van de Exercitiestraat af en toe een halve dag in het Gerard Goosenhuis van de stichting Humanitas. ""Daar praten we over wat er in de krant staat en spelen we bingo of Triviant. Na het middageten puzzelen we nog wat en dan word ik weer naar huis gebracht. Ik heb er veel baat bij, maar thuis zit je dan wel weer alleen. Soms maak ik daar een haakwerkje en af en toe een legpuzzel.''

Voor veel bewoners van de service- en verzorgingshuizen in Ommoord en Het Lage Land is de wijkbus de enige verbinding met de buitenwereld. De Burcht, De Schutse, Anatole France, Zernike en de andere elf tehuizen bieden onderdak aan vierduizend mensen, onder wie (in 1990) circa achthonderd personen van 85 jaar en ouder. Toch is de capaciteit nog onvoldoende: evenals voor hen die thuishulp nodig hebben, zijn er voor mensen met een "indicatie' lange wachttijden, soms oplopend tot zestig weken. Maar degenen die een plaats vonden in een van de verzorgingshuizen zijn over de dienstverlening goed te spreken. ""Als je op het knopje drukt, is de verpleegster binnen een minuut bij je'', zegt een echtpaar. Een tachtiger in huize Oldenoord is even positief: ""Je hebt altijd mensen die ontevreden zijn, maar dat is onzin. Zondagavond om half 12 kreeg ik een galsteenaanval en even later was de dokter er al. En toen mijn vrouw laatst buiten in de rolstoel even bewusteloos raakte, stond meteen de ambulance klaar. Dat was toen niets eens nodig.''

Eenzaat

Maar dat iedereen gelukkig is in de tehuizen is te veel gezegd. ""Wij lijden hier een suf bestaan'', vindt meneer De Groot, een leraar die dertig jaar geleden werd gepensioneerd. ""De prutshokjes waar we in wonen zijn zo klein dat ik bijna alles weg heb moeten doen. Gelukkig kon ik nog wat boeken meenemen, die behoeden me voor uitblussen. Verder vind ik troost en verstrooiing in de muziek, althans in mijn cd's, want een piano heb ik natuurlijk niet meer.'' Veel aanspraak heeft hij niet. ""Ik ben, zoals de Belg zegt, een eenzaat. Schakers ontbreken hier, aan bingo heb ik geen behoefte en er zijn niet veel mensen meer met wie je nog een paar woorden kunt wisselen. Maar zonder te zitten mopperen en janken neem ik met dit bestaan genoegen: ik weet dat het voor ons soort mensen niet anders kan.''

Een houvast vormt het dagelijkse koffie-uurtje dat De Groot doorbrengt met meneer Staal, een weduwnaar die net als hij veertien jaar geleden in het tehuis arriveerde. ""Al vanaf het begin zaten we elke ochtend tijdens de koffie naast elkaar'', aldus Staal. ""Dat gaf een band, maar pas na jaren zei meneer De Groot op een dag tegen me: "Meneer Staal, ik heet Dirk', waarna ik zei: "Meneer De Groot, ik heet Hans'. Toen was het ijs echt gebroken. We lopen niet bij elkaar binnen, maar dat koffie-uurtje zal wel doorgaan tot een van ons er niet meer is.''

Het 's ochtends gezamenlijk koffie drinken is een traditie die in veel tehuizen aan waarde heeft ingeboet. De bewoners zijn vaak niet meer in staat op eigen kracht naar beneden te gaan en het personeel heeft het te druk hen daarbij te helpen. ""In de loop van de jaren is het allemaal volkomen veranderd'', beaamt C.G. Harrewijn, directeur van enkele tehuizen. ""In de tijd dat deze gebouwen er kwamen, werden ze bevolkt door naar verhouding jonge mensen: 65-jarigen die elders een woning vrijmaakten en daarom een verhuispremie kregen. Ze zetten klaverjasclubs op, gingen samen biljarten, organiseerden uitjes en gaven zo'n huis al doende de sfeer van een hotel. Degenen die nu komen, zijn allemaal boven de tachtig. Ze konden het thuis niet meer redden en hebben nu hulp nodig met wassen, aankleden en het nemen van medicijnen. Dat zijn de gevolgen van wat we ontgroening en vergrijzing noemen.''

Voor degenen die in een vroeger stadium voor een verzorgingstehuis kozen, zijn de veranderingen ontmoedigend. ""Dit huis staat in een prachtige omgeving, maar het is er niet gezelliger op geworden'', vindt meneer Daalder. ""Toen ik gisteren eten ging halen, lag er iemand uitgevloerd op de grond. Daar was ik van mijn stuk van, zoiets zag je vroeger niet. Erg is ook dat je met velen niet meer kunt praten. Indertijd moest ieder voor hij hier kwam een geheugentest doen: dan vroegen ze wie de burgemeester was van Rotterdam en hoe de koningin heette. Nu hoef je dat niet meer te weten, ze komen nu allemaal even wazig binnen.''

De groeiende afhankelijkheid van de bewoners maakt de taak van het personeel er niet lichter op. ""Vroeger hadden zusters nog weleens tijd voor een praatje, nu zie je ze alleen nog als een flits voorbijschieten'', vertelt meneer Staal. ""Het moet allemaal gauw-gauw - een kwartier nadat ze het eten hebben gebracht, komen ze de schalen alweer ophalen omdat ze dan weer iets anders moeten. De verwarde mensen hier drukken ook vaak voor niets op de knop, zodat die arme zielen ook daar nog eens achteraan moeten. Van al dat rennen worden ze hoorndol. Zo krijg je meer ziektegevallen en dus meer uitzendkrachten, zodat alles nog moeilijker wordt dan het al is.''

Een staflid van het Gerard Goosenhuis bevestigt dat de werkdruk aanzienlijk is gestegen. ""Voor sommige personeelsleden is het een hele opgave de dag door te komen. Als er een nieuwe plek vrijkomt, vragen ze me hoopvol: "Hebt u ditmaal een goede bejaarde voor me?' Het gaat ze dan niet om de fysieke toestand waarin iemand verkeert, ze zijn allang blij als de volgende bewoner geestelijk nog een beetje in orde is.'' In Oldenoord, een paar flatgebouwen en speelweiden verder, stelt directeur Harrewijn dat verzorgingshuizen in de praktijk steeds meer gaan lijken op verpleeghuizen. ""Dit betekent hogere kosten die niet worden gecompenseerd door hogere inkomsten. De enige oplossing is een nog sterkere nadruk op efficiency, zodat we in minder tijd dezelfde verzorging kunnen bieden. Zo besloten we niet langer vijf maal daags gamellen koffie en thee het gebouw door te zeulen, maar op elke etage met een kleine pot rond te gaan. Alleen daarmee al win je uren.''

Beroering

Sinds hij in 1991 directeur werd, wist Harrewijn met dergelijke maatregelen eerder ontstane tekorten te halveren; in het vooruitzicht van een sluitende exploitatie diende hij bovendien een plan in voor renovatie van Oldenoord en het naburige Boekholt, allebei tehuizen van de gemeente. Kort erna al leek alle moeite vergeefs. Tot stomme verbazing van alle betrokkenen liet de wethouder begin dit jaar weten dat een van de huizen dicht gaat en het ander sterk wordt verkleind, een ingreep die een verlies van 330 plaatsen oplevert. Het nieuws bracht grote beroering teweeg. In Boekholt, waar de gemiddelde leeftijd 88 jaar is, heersten volgens de buurtbladen verdriet en paniek: de mensen zaten te huilen, een tachtigjarige schrok zo dat hij een hartinfarct kreeg en een honderdjarige waarschuwde een verhuizing niet te zullen overleven. De huisarts was ziedend, zo werd er nog aan toegevoegd.

Even hard aan kwam het bericht dat de Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam een deel wil slopen van het Van Moorselcomplex: zeven woonblokken met ouderenwoningen die dertig jaar geleden in Het Lage Land werden gebouwd. Ruim een kwart van de huisjes moet volgens het plan wijken voor aantrekkelijker nieuwbouw die, gezien de huurprijs, bedoeld is voor beter gesitueerden. Ooggetuigen melden dat de bekendmaking van het nieuws een verpletterend effect had: mevrouw De Potter-De Mari stond perplex en kon vervolgens nachten niet slapen, mevrouw MacLean kreeg een black-out, anderen zaten te trillen en een enkeling zakte als een plumpudding in elkaar.

Daar bleef het niet bij. Meneer Van Loon vertelt dat een buurvrouw kort na de eerste berichten volledig van de kaart was. ""Ze dacht dat ze onmiddellijk weg moest, gepakt en gezakt stond ze klaar. "Ik ga met m'n spullen maar op de markt staan', zei ze.'' Meneer Unger, een paar woningen verder, weet te vertellen dat twee bewoners "dood bleven' omdat zij niet in staat waren het nieuws te verwerken. ""Wat moet je ook? Waar kunnen oude mensen die niet veel geld hebben naar toe? Zeker naar het Oude Westen, maar kennissen daar zeggen dat je er je leven niet zeker bent.''

Na enige tijd veranderde de stemming. Het afbraakplan voor twee onopvallende woonblokken, in de ogen van de bewoners een paradijs waar je wel 150 jaar wilt worden, inspireerde een deel van hen alsnog tot een sfeer van verzet. Op vergaderingen en in een daartoe opgesteld rapport verklaarden zij het gevecht aan te zullen gaan. Mevrouw Van Strien zal "tot de laatste snik' volhouden, zo werd genoteerd: ""In Zeeland moest ik weg omdat de moffen alles onder water zetten en in de Kralingse Kerklaan werd m'n huis gesloopt. Nu blijf ik zitten, al timmeren ze alles weg.'' Dit soort reacties zijn de onverwachte winst van dergelijke incidenten, vindt opbouwwerker Arthur van Thiel. ""Wanneer oudere mensen in de hoek worden gedreven, reageren ze onzeker en timide. Maar als je hen op weg helpt en uitleg geeft, blijken ze tot meer in staat dan zij zelf weten. Dan ontwikkelen ze een kracht als een orkaan.''

Centenkwestie

Of dit voldoende is het gevaar te keren, was onlangs nog onzeker. Niet iedereen toonde zich gerust: "Het is een ordinaire centenkwestie, dus dan valt er weinig goeds te verwachten', werd gezegd. Geldtekort in combinatie met ambtenarij verhindert ook verwezenlijking van het idee te komen tot een mengvorm van verzorgings- en verpleeghuis. Directeur Harrewijn van het bedreigde Oldenoord ziet hierin een goede mogelijkheid de wachtlijsten voor bijvoorbeeld psycho-geriatrische patiënten te verkleinen. ""Maar het belangrijkste is dat het leven voor veel ouderen erdoor verbetert. Mensen in verzorgingshuizen die verpleging nodig hebben, hoeven niet meer te verhuizen naar een instelling met een ziekenhuissfeer; ze kunnen onder hetzelfde dak tussen hun eigen meubels blijven. Het is een mooie oplossing, maar de bureaucratie vormt een barrière: de AWBZ financiert de verpleeghuizen, de sociale dienst voert de wet uit op de bejaarden-oorden en tussen die twee zit een enorme muur.''

Ook voor de rest is Harrewijn niet optimistisch. Hij voorziet zelfs dat de situatie er in zijn eigen omgeving verder op achteruitgaat. ""Door sluiting van een gebouw vermindert de capaciteit van de verzorgingstehuizen, zodat meer mensen langer thuis zullen moeten blijven. Tegelijkertijd wordt in Rotterdam zes miljoen bezuinigd op de thuiszorg, zodat ook daar de wachtlijsten nog langer worden. De politiek houdt zich intussen afzijdig. Men accepteert dat de stijgende kosten van de medische zorg steeds worden verhaald op de groepen die het minst weerbaar zijn: zwakzinnigen, psychiatrische patiënten en bejaarden.''

Buitenstaanders sluiten hier graag de ogen voor, zo is de indruk bij het Maatschappelijk Werk: ""Het lijkt wel of men er niet over wil nadenken. In plaats van plannen te maken voor de nabije toekomst, wordt steeds meer beknibbeld op de uitgaven. Tegenover de naoorlogse generatie is dat oneerlijk: mensen die hard hebben gewerkt en vaak met moeite hun pensioen hebben gehaald, kunnen nu niet de hulp krijgen waar zij recht op hebben.''

Maar voor degenen die het heft in eigen hand nemen, blijft er hoop. Het bewijs daarvan is De Bonnefooi, een groepswoning voor 32 personen die in 1991 verrees op een terrein tussen twee Ommoordse flats. De bewoners, negen echtparen en veertien alleenstaanden met een gemiddelde leeftijd van bijna zeventig jaar, namen zelf het initiatief tot de bouw van dit huis. Van de gemeente kregen zij subsidie los, enkele fondsen bekostigden de inrichting en zelf betaalden zij voor deskundige bijstand. ""In het begin verklaarde de deelgemeente ons voor gek, maar het is toch maar mooi gelukt'', zeggen twee bewoners trots tijdens een rondleiding. We bezichtigen enkele appartementen en een gemeenschappelijke woonkamer, wandelen door de als plantentuin ingerichte vide en komen tenslotte uit in een tweede collectieve huiskamer annex keuken, waar de erwtensoep al op het vuur staat. ""Hiervoor woonde ik in Oosterflank'', aldus een van de rondleiders. ""Daar was het een doffe ellende, overal graffiti en vervuiling. Maar moet je nu 's kijken, hier is het ideaal.''

Een eindje verder zitten vier mensen te kaarten, een ander kijkt vergenoegd uit het raam dat uitziet op een door bomen en struiken omzoomd veld. Wie niet beter wist, zou denken dat hij hier in een pension voor vakantiegangers vertoeft.

Om redenen van privacy zijn twee namen veranderd.