Major na zege niet van Euro-debat verlost

LONDEN, 24 JULI. Het gezwel - in de woorden van John Major - is dus doorgesneden. De politieke impasse is opgelost. Een uitspraak van de rechter daargelaten, zal de Britse regering het verdrag van Maastricht, negentien maanden na dato, alsnog ratificeren. De vraag is: is nu ook het geëtter afgelopen?

Er was gisteren, na afloop van de stemming in het voordeel van premier Major, een zalvende bereidwilligheid onder regeringsgetrouwen en ex-rebellen gelijkelijk om te spreken over “een streep” die nu getrokken moet worden onder de verdeeldheid uit het verleden. Eerst al had Douglas Hurd (Eton en Oxford), de sjiekste en elegantste minister uit de stal van Major, bij afronding van het debat in het Lagerhuis een olijftak uitgestoken naar de Conservatieve rebellen door te erkennen dat de regering “in een uitzonderlijk moeilijk jaar” misschien ook wel eens fouten had gemaakt.

Toen kwam Sir Marcus Fox, de voorzitter van het invloedrijke 1922 Committee (zoveel als de Conservatieve fractie) verzekeren dat er geen “heksenjacht” zou volgen jegens de disssidenten die de regering donderdagavond voor aap hebben gezet. En vervolgens kwam de leidende rebel Bill Cash met de geruststelling dat de opmerkelijke ommekeer in stemgedrag van zijn factie verklaarbaar was uit het feit dat je nog zo tegen "Maastricht' kon zijn, “maar we gaan liever dood dan dat we de uitvoering van dit verdrag aan een Labourregering in handen geven”.

Even keerden de Tory's dus terug naar het gedrag waar ze ooit zo goed in waren: het tonen van één gezicht naar buiten. Die neiging werd misschien ook ingegeven door door pure vermoeidheid, want nog een week en dan volgt het zomerreces. Alle Lagerhuisleden hunkeren daarnaar, getuige het algemene gejuich dat opging toen Douglas Hurd zijn rede begon met de woorden dat dit de laatste toespraak in het laatste debat over de ratificatie van Maastricht was. Het onderwerp mag dan misschien de wederzijds toegebrachte verwondingen waard geweest zijn, maar de parlementariërs reageerden alsof de quarantaineperiode tegen een gevaarlijke ziekte plotseling werd opgeheven.

"Maastricht' zal de analen van de Britse parlementaire geschiedenis ingaan als een epische veldslag tussen volksvertegenwoordigers van uiteenlopende overtuiging. Verscheidene sprekers trokken een vergelijking met die andere na-oorlogse mijlpaal, Suez, waarbij een eens machtig imperium gedwongen werd zichzelf te gaan zien in de rol van een slechts middelgrote natie. Maastricht dwingt zelfs de laatste illusies over onafhankelijke grootheid terzijde, al was het strikt genomen mevrouw Thatcher - en niet John Major - die met haar door het parlement gedreven ondertekening van de Acte van Europese Eenwording de grootste hap souvereiniteit heeft weggegeven aan het groter gemeen van Europa.

Maar met de winst van de regering inzake "Maastricht' is de strijd om Europa in het parlement niet afgelopen. Labour (met uitzondering van een minderheid aan rebellen) en Liberalen blijven ijveren voor een situatie waarin de Britse delegatie niet de kamer hoeft uit te lopen, zodra de partners over sociale bescherming van de werknemers beginnen. Zij willen een level playing field, economisch én sociaal, en verzetten zich tegen Majors stelling dat het opleggen van sociale eisen “een handvest voor werkloosheid” is.

Binnen de Conservatieve Partij blijven de principiële bezwaren van de rebellen tegen het opgeven van de autonomie op het gebied van economisch en financieel beleid, van autonomie op het gebied van defensie en van buitenlandse zaken bestaan. Wel of niet terugkeer van het Britse pond in het Europese Monetaire Stelsel (EMS) is een onderwerp dat de partij opnieuw van onder tot boven kan doen scheuren met het gevaar dat John Major, net als Margaret Thatcher, daarvan het slachtoffer wordt. En ook als het EMS mocht bezwijken, dan zijn er in juni volgend jaar nog de Europese verkiezingen, die het onderwerp Europa vermijdelijk naar de voorgrond zullen dringen.

En dan is er nog de verdeeldheid over de persoon van John Major zelf en de vraag of hij zijn partij naar volgende verkiezingen zal leiden. De opvolger van Margaret Thatcher heeft zijn krediet bij rechts al net zo verspeeld als bij links: door zijn schijnbare onvermogen beslissingen te nemen (het aanhouden van Norman Lamont als minister van financiën), door zijn abrupte beleidswijzingingen (het terugtrekken van het pond sterling uit het EMS) en door zijn kennelijke behoefte om aardig gevonden te willen worden - een kwaliteit die het goed doet bij de kiezer, maar die in de praktijk leidt tot het veel te lang aanhouden van politieke vrienden (David Mellor, Michael Mates) die de regering in opspraak brengen.

De afgelopen dagen is hem verweten dat hij het parlementaire spel om Maastricht zo onhandig heeft gespeeld dat hij zijn partij aan de rand van de afgrond moest brengen om een handtekening te kunnen zetten onder een afspraak in Europa die hij zelf ooit triomfantelijk als game, set and match voor Groot Brittannië had betiteld.

Zelf zei Major gisteravond dat de geringe populariteit van zijn persoon en van zijn partij bij de kiezers te maken heeft met “een uitzonderlijk moeilijk jaar”. Maar de ratificatie van Maastricht bekroonde “een verschil van mening dat we heel lang geleden al in ons voordeel hadden beslecht, en dat in het belang van dit land is.” Er was nu sprake van “een agenda voor de toekomst” waarin economische groei en orde en gezag de centrale thema's zullen vormen.

Het feit dat de Britse economie nu aantoonbaar uit recessie komt, plus de nieuw gecreëerde mogelijkheid dat Groot Brittannië de agenda in Europa naar haar hand kan zetten, belooft, aldus Major, alleen maar goeds voor de toekomst. En net als de partijvoorzitter en elke andere minister uit zijn kabinet die voor de camera's zijn zegje kwam doen, herhaalde hij de kennelijk afgesproken toverwoorden: besluitvaardigheid, conclusie en leiderschap. “Als ik de impasse van donderdagavond had laten voortduren, dát zou pas van zwakte hebben getuigd.”