KNO-ARTS

Inderdaad werden 30 à 40 jaar geleden naar verhouding meer tonsillectomieën (verwijderden van keelamandelen) gedaan dan tegenwoordig ("Amandel knippen steeds minder populair', NRC Handelsblad, 28 juni).

Echter in die tijd werd een ander klinisch beeld gezien met keel- en halsabcessen en ernstige nieraandoeningen. Daarnaast was de KNO-arts veel tijd kwijt aan grote ooroperaties. Zogeheten "looporen', die 20 jaar of meer een pusafscheiding gaven, kwamen geregeld voor. De sanerende operaties van deze oren waren gecompliceerd en vergden vaak uren. Verder moeten de bronchoscopieën, vooral door het grote aantal tuberculose-patiënten, niet worden vergeten.

De huidige KNO-arts ziet een ander beeld. Zijn zorg gaat uit naar het voorkomen van tumoren, naar gehooronderzoek, spraakstoornissen, allergie-onderzoek etc. en dit alles in teamverband met audioloog, logopedist, oncoloog en bijvoorbeeld kinderarts. Vroegtijdige "scopie'-diagnostiek van tumoren in de verborgen holtes van de schedel wordt van hem verlangd. Met behulp van de operatiemicroscoop kan hij vèrgaande correcties toepassen in de oren, neus en neusbijholten en aan stembanden of in het strottenhoofd. "Een eenvoudige neustussenschotoperatie' is te simpel gesteld.

De opleiding tot KNO-arts duurt minimaal 5 jaar na het artsexamen. De opleiders zijn zeker wel in staat na 1 à 2 jaar te beoordelen of een arts tot een goed KNO-arts kan uitgroeien. Meer KNO-artsen opleiden dan nodig is, zogenaamd ter verbetering van de kwaliteit van het specialisme, is een uitspraak waarin de Specialisten Registratie Commissie (SRC) en het Concilium van de KNO-vereniging zich wel moeilijk zullen kunnen vinden.

Een arts, die 5 jaar opgeleid wordt onder verantwoordelijkheid van de opleider, visitatiecommissie en SRC, heeft indien enigszins mogelijk het recht verworven zijn kennis te gebruiken voor de medische verzorging van de Nederlandse samenleving.