Jonge theatermakers komen moeilijk aan de bak

Finale, radio 5, 16.02-17.10u.

Aan het slot van een gesprek tussen jonge en oude theatermakers roept journalist Loek Zonneveld strijdlustig dat de jonge generatie de provincie in moet gaan, naar de steden waar het nooit iets zal worden. Zonneveld: “Het Noord Nederlands Toneel in Groningen, jongens, blaas dat op, bezet het. Wat ze daar doen is een suffe, stoffige poging om het Randstad-toneel te imiteren. En dat kunnen ze niet. Wat Leonard Frank bij Theater van het Oosten in het post-Agaath Witteman-tijdvak gaat doen, dat kàn helemaal niet. ”

Deze kreet uit het hart is een van de meest strijdvaardige uitspraken, waarvan er wat mij betreft meer hadden mogen zijn in zomerserie Finale over de verschillen en overeenkomsten tussen de generatie twintigers, dertigers en veertigers aan het toneel.

Loek Zonneveld signaleert een interessante ontwikkeling, een trend, in het Nederlandse toneel. Volgens hem wordt het de jonge regisseurs, die zo'n beetje acht tot tien jaar van de toneelschool af zijn, onmogelijk gemaakt "aan de bak te komen". Er is geen geld, want het geld gaat naar de grote gezelschappen. Bovendien geven de regisseurs van de gesubsidieerde gezelschappen jonge theatermakers geen kans. Loek Zonneveld bewijst dat Gerardjan Rijnders van het zwaar gesubsidieerde Toneelgroep Amsterdam in relatief korte tijd acht regisseurs heeft versleten.

Onlangs heeft Lidwien Roothaan aangekondigd uit de artistieke leiding te stappen. Ze heeft dat gedaan op sterk aandringen van de acteurs. Dat is natuurlijk de wereld op zijn kop: acteurs die een jonge regisseur het werk onmogelijk maken.

Aan de tafel van Zonneveld zitten als vertegenwoordigers van de veertigers Ger Thijs en Peter te Nuyl; als jonge regisseurs mochten plaatsnemen Paul Feld en Inez van Dijk.

Een jonge generatie van theatermakers heeft het recht woedend te zijn. Behalve Feld en Van Dijk zijn er onder andere Koos Terpstra en Peter Eversteijn die zich weggedrukt voelen in kleine theaters waar ze "werkplaatsprodukties" maken. Of laten ze zich wegdrukken? Feld toont een wat berustend pessimisme. Onlangs uitte hij wel zijn woede door in een ingezonden brief aan de Volkskrant een toneelrecensent aldaar te laten weten niet langer gediend te zijn van het stigma van vertegenwoordiger te zijn van een generatie. Hij wil, terecht, beoordeeld worden op zijn eigen mérites. Zonneveld valt hem bij: “De toneelrecensenten, dat zijn de oude lullen." Deze affaire speelt een belangrijke rol in de uitzending. Maar op de vraag waarom deze jonge regisseurs theater maken, wat ze willen bereiken komt helaas geen antwoord. Naar het schijnt komt er in september in De Nes, aan het begin van het nieuwe seizoen, een middag en avond gewijd aan deze generatie, en dan mag het niet gaan over geld maar over de passie, de inzet, de inhoud.

Er spreekt nostalgie uit het gesprek. Loek Zonneveld's stem stokt bijna als hij het heeft over '68 en de tomaten, over de strijdbaarheid van toen die niet de strijdbaarheid van nu is. Ik kan Zonneveld wel begrijpen. Want een echt diepgaand conflict tussen jonge en oude theatermakers is er niet. Het enige verschil is dat Te Nuyl en Thijs uitgaan van klassieke teksten en dat Feld en Eversteijn eigen voorstellingen creëren, die vaak een mixture zijn van citaten uit de wereldliteratuur. Eigenlijk draait het conflict om plekken om te spelen. Zoals in het Felix Meritis dat enige tijd terug werd bezet. Geheel terecht. Daar staan zalen leeg. Er is een oplossing: de jonge theatermakers moeten hun eisen met klem, verbale duidelijkheid en mijn part andere en gevaarlijk-explosiever vruchten dan zachte tomaten stellen. Het lijkt er, alle zogenaamde gedrevenheid ten spijt, teveel op dat ze veel willen maar niet weten wat ze willen, waarheen hun regies moeten gaan. Loek Zonneveld had niet vier mensen maar twee moeten uitnodigen, de een lijnrecht tegenover de ander. Nu moeten we wachten tot september om de echte waarheid te horen - als we die te horen krijgen. Deze voorzet was in elk geval onmisbaar.