INWIJKELINGEN

Amsterdamse sinjoren 1576-1622. In het voetspoor van Antwerpse immigranten door Els ten Napel en Benno van Tilburg 96 blz., gell., Bas Lubberhuizen 1993, f 19,50 ISBN 90 73978 18 1

Eén van de doelstellingen van het Vlaams Cultureel Centrum is het bekendmaken van Vlaanderen aan Nederland door stelselmatig te wijzen op de Vlaamse aanwezigheid in Amsterdam als gevolg van de uitwijking na de Val van Antwerpen in 1585. Naarmate de Spanjaarden verder oprukten in Vlaanderen verlieten niet alleen calvinisten, maar ook handelslui en vrijdenkers het land. ""Wij zijn ervan af, en jullie zitten er mooi mee'', zei burgemeester Cools van Antwerpen dan ook niet zonder spot bij de presentatie van Amsterdamse sinjoren 1576-1622, een boekje waarin een wandeling beschreven is langs materiële overblijfselen van deze immigrantenstroom uit de zestiende en zeventiende eeuw.

Het VCC geeft al sinds jaar en dag op verzoek ""Vlaamse wandelingen'' om bezoekers van Amsterdam te attenderen op de sporen uit dat verleden, dat toch - voor ons - zo mooi heeft uitgepakt. Die route is ook ooit geboekstaafd in een heldere gellustreerde brochure, maar het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft verzuimd bij te drukken, ondanks aanhoudende vraag. Die brochure beperkte zich overigens niet tot Antwerpenaren en ook niet tot de zeventiende eeuw, en bood daarmee, ondanks het geringere bestek, een beter inzicht in het belang van de Vlaamse immigratie in Holland dan dit nieuwe boek.

De beperking tot Antwerpenaren in Amsterdamse sinjoren is wel een aardig gebaar naar de Culturele Hoofdstad van Europa en naar de stad waarmee Amsterdam het meest gelieerd is, ondanks de tegenstellingen in het verleden. Naast een historisch overzichtje bevat het boekje een wandeling door het centrum van Amsterdam langs huizen waar nieuwkomers uit de Scheldestad woonden en werkten, langs produkten van hun architecten en hun schilders. De routebeschrijving is gelardeerd met korte biografieën van beroemde Antwerpenaars als Caspar van Baerle en Joost van den Vondel.

Zoals gezegd voldoet dit boek - met zijn herhalingen en figuren wier betekenis onduidelijk is - minder dan de brede opzet die het Vlaams Cultureel Centrum in zijn wandelingen volgt. Erger is dat belangrijke zaken niet als zodanig gepresenteerd worden. De tympanen van het Paleis op de Dam - aan voor- en achtergevel - van Artus Quellijn hadden beter belicht moeten zijn en wat niet had mogen ontbreken - juist nu de Culturele Hoofdstad zich profileerde met een retrospectief over Jacob Jordaens - is de vermelding dat de halfronde doeken in de gangen van het Paleis door deze zelfde Jordaens zijn geschilderd. De beperking tot de Gouden Eeuw leidt er bovendien toe dat een uitvoerige wandeling door het Amsterdams Historisch Museum het mooie Van Speyck-zaaltje overslaat.

Amsterdamse sinjoren brengt, kortom, niet zijn boodschap voluit naar voren, en dat is, dat het hier maar een armetierig zooitje geweest zou zijn zonder de Vlaamse immigranten en hun netwerken over geheel Europa. Pas met hun komst kon onze Gouden Eeuw beginnen.