HOE HET LACHEN ONS VERGAAT

Het lachen door Henri Bergson 141 blz., Boom 1993 (Le rire, 1900), vert. Eric de Marez Oyens met inleiding van Jan Bor, f 32,50 ISBN 90 6009 279 1

Bij de nadenkende medemens geniet lachen niet veel aanzien. ””Wie de lachers op zijn hand heeft gehad, moet die zo snel mogelijk schoonwassen'', schreef Jan Greshoff al eens in een beschouwelijke bui. De wijsbegeerte is nog veel ernstiger. De doodenkele keer dat onder filosofen gegrinnikt wordt, klinkt als plotseling gesnater op een stille vijver bij nacht.

Gemoedsaandoeningen zijn in de filosofie doorgaans weinig populair en dat geldt a fortiori voor zo iets oppervlakkigs als vrolijkheid. Nochtans heeft menig wijsgeer zich in de loop der tijd over de betekenis en oorsprong van het lachen het hoofd gebroken, van Aristoteles tot Bergson, wiens Le rire uit 1900 nu opnieuw in vertaling is verschenen in de reeks Boom Klassiek.

Deze eeuw is de psychologie met het onderwerp op de loop gegaan en sinds Freuds Der Witz und seine Beziehung zum Unbewussten (1905) blijkt niet alleen het lachen, maar steeds meer ook het nadenken over de lach een zeldzaamheid in de wijsbegeerte te zijn geworden. Wie nu Bergsons prikkelende studie leest, kan dat alleen maar betreuren.

In de aan dit boek voorafgaande eeuw prijkten beschouwingen over het lachen relatief vaak op de filosofische agenda. Kant beschreef in zijn Kritik der Urteilskraft (1790) de lach als het gevolg van een plotselinge teloorgang van een hooggespannen verwachting. Schopenhauer (die vooral in zijn wijsgerige waardering van de intutie sterk aan Bergson doet denken) karakteriseerde het lachen als de uitdrukking van een wanverhouding tussen een begrip of gedachte en datgene waar zo'n begrip of gedachte naar verwijst. Zo stelt een Oostenrijker voor aan iemand, die graag alleen uit wandelen zegt te gaan, om samen een wandeling te maken; zelf gaat hij namelijk ook maar wat graag alleen op stap. Het lachwekkende van dit voorstel schuilt volgens Schopenhauer in het feit dat de man - in de veronderstelling dat je een gemeenschappelijk genoegen kunt delen - de gedachte aan een wandeling in zijn eentje ridiculiseert door ermee naar een gezamenlijke wandeling te verwijzen.

Bergson zou hier anders tegen aankijken. Hij interpreteert lachen als een publieke correctie, een afstraffing van het starre en automatische in menselijk gedrag. Zo wordt in dit geval het automatisme, waarmee de Oostenrijker elk genoegen met anderen wil delen, letterlijk belachelijk.

GEKKE HOED

Bergsons benadering is eerder psychologisch en sociaal, dan kentheoretisch. Ten eerste wijst hij erop, dat lachen zich altijd op mensen richt. Men kan lachen om een gekke hoed, maar alleen omdat die naar menselijk gedrag verwijst. Verder gaat lachen altijd met een zekere ongevoeligheid gepaard. Want wie zich te veel in een ander verplaatst, kan niet meer om die ander lachen. Ten derde heeft de lach een echo nodig. Men lacht pas echt in een groep, in gezelschap van (eventueel denkbeeldige) andere lachers.

Die laatste observatie wordt in dit boek ongewild bevestigd. De tientallen grappen die Bergson aanhaalt, ontlokken nauwelijks een glimlach. De lezer is nu eenmaal in beginsel alleen. Bergson ontleent zijn voorbeelden ook meestal aan de komedie, waar het publiek en masse klaarzit om in lachen uit te barsten.

Toch schoot ik op bladzijde 91 van dit boek in de lach. Bergson heeft hier net zijn theorie van automatisme en starheid toegepast op het verschil tussen letterlijk en overdrachtelijk taalgebruik. Wanneer we figuurlijke uitdrukkingen of symbolen uit (al dan niet gespeelde) starheid letterlijk of concreet opvatten, ontstaat volgens hem een komisch effect. Hij geeft dan het voorbeeld uit een blijspel, waar een veertigjarige bruid oranjebloesem op haar bruidsjurk draagt. Iemand zegt: ””Ze kan eigenlijk beter sinaasappels dragen.''

De bruid is kennelijk het stadium van bloei voorbij. Maar ik moest lachen om de onverwachts toegevoegde (en door Bergson stellig niet bedoelde of opgemerkte) platte dubbelzinnigheid van deze opmerking, die immers ook het ontbreken of kwijnen van een struise boezem suggereert. Wat is hier nu lachwekkend? Het eerste komische bestanddeel is het door Bergson gesignaleerde grapje. Een ander deel kan eveneens goed met behulp van Bergsons eigen opvattingen verklaard worden: van een deftig filosoof verwachten we geen toespeling op vrouwenborsten en de starheid van zijn beschavingspeil krijgt door deze toespeling iets lachwekkends.

Maar ook Kants concept van de plotselinge teloorgang van een hooggespannen verwachting lijkt hier ter zake! En Schopenhauers theorie van de discrepantie tussen een gedachte (over kleding) en dat waar die gedachte naar verwijst (ouderdom, abstract en in tweede instantie concreet, namelijk verwijzend naar lichamelijke veroudering). En verder zijn verklaringen van denkers als Spencer en Kraepelin relevant, die vooral van de verrassing van het contrast uitgaan (hier de bloem tegenover de vrucht, de veronderstelde jeugd van de bruid tegenover haar werkelijke leeftijd etcetera), om van de freudiaanse explicaties nog maar te zwijgen.

DIKDOENERIJ

Bergsons theorie van het lachen is onmiskenbaar eenzijdig en slaagt er niet in de vele trekken van dit zo simpel lijkende maar uiterst complexe verschijnsel te verdisconteren. Maar hij liet wel iets nieuws zien, iets dat filosofen met hun geringe achting voor het blijspel waren vergeten. Voor Bergson was lachen per definitie uitlachen, wat hij overigens geenszins verwerpelijk vond. Want juist hierin schuilt het grote sociale nut van de lach, het vermogen om de mechanische starheid van gedrag te lijf te gaan. Het lachen belaagt de onbewuste manifestaties van maatschappelijke krampachtigheid: het bureaucratische, het onechte, formeel gedrag, dikdoenerij, regelzucht en oplichterij. En dat is precies, wat de hoofmoot uitmaakt van de vroegere comedie, van de satire en van het huidige cabaret.

Hoezeer Het lachen in de eerste plaats ook een sociaal-psychologisch exposé mag lijken, het hangt toch duidelijk samen met Bergsons metafysica en zijn beroemd geworden opvattingen over de tijd. In natuurwetenschappelijke zin is tijd volgens hem een onomkeerbare opeenvolging, waarin alles op mechanische wijze vastligt. Er bestaat echter ook een meeromvattende, wezenlijke tijd, de zogenaamde durée, die niet onomkeerbaar verstrijkt, die niet materieel maar geestelijk is en kenmerkend voor alles wat leeft. Hierop baseert Bergson uiteindelijk zijn theorie van de bevrijdende werking van het lachen, dat de mechanische en starre kanten van het leven op de korrel neemt. De lach geeft ruimte aan het creatieve en beweeglijke van het leven en ontneemt het leven zijn gedetermineerde voorspelbaarheid en materiële zwaarte.

Daarom wijst Bergsons ook steeds op het lachwekkende van automatismen en van lichamelijke zwakheden en beschrijft hij komische mechanismen aan de hand van marionetten en duveltjes uit doosjes, meestal met voorbeelden uit Franse blijspelen gelardeerd.

Ook de inleider van de vertaling waagt zich aan een voorbeeld door het befaamde einde van Tommy Cooper te memoreren, de mislukte goochelaar en komiek die op de planken levenloos in elkaar zakte, waarop het publiek eindeloos schaterde en klapte alsof het om zijn zoveelste flauwe grap ging. Nu heeft Bor gelijk, als hij beweert dat het lachen van het publiek heel goed met Bergson te verklaren valt, omdat deze laatste act ””het beeld van een levenloos mechaniek oproept [...] dat door de vele clowneske handelingen van Cooper al eerder werd gesuggereerd'', maar dat gold voor zijn voorafgaande voorstellingen natuurlijk net zo goed. Waarom zou je dan herinneren aan dit laatste optreden?

Wat de inleider niet ziet, is dat het lachwekkende van Coopers ultieme grap achteraf, en voor ons, juist in het automatische gedrag van het publiek schuilt. We lachen Tommy Coopers lachende publiek uit, en nu ook nog eens de inleider. Niets is zo ingewikkeld als een simpele grap.