"Hij slaapt 't liefst de hele dag en kijkt de krant in, voor de plaatjes'

De Spaanse veteraan PEDRO DELGADO rijdt al jaren aan de zijde van de komende Tourwinnaar Miguel Indurain. Hij heeft hem weinig kunnen leren. “Het is moeilijk iets te doen voor een man met wie je nauwelijks communiceert”

In niets lijkt hij op Miguel Indurain, zijn nog beroemdere landgenoot. Pedro Delgado en Indurain zijn zelfs complete tegenpolen. De eerste is blond, klein, openhartig, de tweede zwart, fors, in zichzelf gekeerd. De ene heeft vrolijke schitterende ogen, de ander een melancholieke blik. Delgado is nerveus, kan geen seconde stil zitten en is een aanvaller, Indurain is de rust zelve, een dooie pier en een verdediger. De twee Spaanse multi-miljonairs kunnen het samen goed vinden, zegt de ploegleiding van Banesto, ze vullen elkaar immers perfect aan? Toch laat de temperamentvolle Delgado doorschemeren het moeilijk te hebben met die eeuwige afwachtende houding van de (bijna) drievoudige Tourwinnaar.

Het lijkt wel of hij de doventaal spreekt. Elk woord dat uit zijn mond rolt ondersteunt Delgado met een arm- of handbeweging. “Ik geloof dat Indurain niet wil attaqueren”, zegt de renner uit La Lastrilla, een dorp op vier kilometer van Segovia, “dat is altijd zo geweest, hij heeft nu eenmaal geen agressief karakter. Hij is ook nooit spontaan. Voelt zich natuurlijk best lekker in deze Tour, want hij heeft het voordeel dat de organisatie twee lange tijdritten in het routeschema heeft opgenomen. Dat voordeel is groot, héél groot, ik vind het zelfs tè groot. Voor de supporters, voor de Fransen, voor de tifosi, voor Once, voor de hele wielerwereld die van spektakel houdt. Indurain heeft het niet nodig in de bergen in het offensief te gaan. Zou ik misschien ook niet doen, als ik over zijn grote kwaliteiten als tijdrijder beschikte. Ik zeg er altijd het volgende over: als coureur begrijp ik Miguel héél goed, als koersliefhebber zou ik hem niet begrijpen, want die zit te wachten op vuurwerk.”

Delgado weet dat Indurain best kan aanvallen. Hij verwijst dan naar de Tour van 1991. “Miguel won die ronde, zijn eerste, door een aanval. Een aanval in een afdaling weliswaar, maar het was een aanval. Toen ging hij er na de top van de Tourmalet ineens vandoor, samen met Claudio Chiappucci. Greg LeMond miste de slag en verloor vele minuten. Die actie van Miguel was een grote uitzondering. Indurain is desondanks een bijzonder professionele renner, al rijdt hij altijd retaguardia zoals we in Spanje zeggen. Van achteren. Hij is daarin een meester. Vanuit die positie overziet hij alles, maakt hij de koers, niets ontsnapt aan zijn aandacht.”

De superioriteit van Indurain is niet goed voor de wielersport, beseft Delgado, want ze werkt verlammend op de concurrenten. Een deel van het peloton is er zelfs zijn strijdlust door kwijt geraakt, meent hij. “Bij anderen ligt het weer anders”, legt hij uit. “Gianni Bugno, Erik Breukink en Miguel hebben bijna hetzelfde karakter. Ze zijn té sterk in de tijdrit. Daarna moeten ze de verworven voorsprong in de bergen verdedigen, omdat ze in de cols niet kunnen of willen aanvallen. Miguel springt er momenteel als beste uit, maar eigenlijk is het een loterij. Bugno en Breukink zouden ook nummer één kunnen zijn. Het is maar hoe de wind waait: het ene jaar is die goed, het andere jaar de ander, het volgende jaar misschien de derde. Zo is het gesteld met de huidige generatie toppers.”

Delgado laat vervolgens blijken niet kapot te zijn van deze vrij grijze lichting. Hij verlangt naar lefgozertjes, smaakmakers. “Er komt al zo'n type renner aan”, heeft de Spanjaard gezien. Hij doelt op Alex Zülle. “Die Zwitser reed deze Tour nog niet zo goed, maar hij heeft dat lekkere felle. Hij is nerveus en minder saai dan de andere jongeren. Wil de Tour overleven, dan moet er een grote renovatie komen. De coureurs moeten veranderen, maar ook de gedaante van de Tour, zodat de supporters weer een echte koers te zien krijgen. De verschillen in het klassement dienen tot stand te komen in de gewone etappes, niet in de etappes tegen de klok. Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc zou er goed aan doen de vlakke tijdritten te bekorten - de overmacht van Indurain is dan weg, jammer voor hem - en weer een tijdrit bergop in te voeren. Ik denk dat hij die goede beslissing binnen een paar jaar neemt. Anders kan het te laat zijn.”

Toen hij Indurain voor het eerst ontmoette, was het Delgado meteen duidelijk dat er een kanjer voor hen stond. Het gebeurde in de Ronde van Spanje in 1985, de eerste Vuelta van Indurain. “Miguel werd tweede in de proloog”, weet Delgado nog, “achter Bert Oosterbosch. In de volgende etappes volgden er heuvels. Oosterbosch kon het ritme van het peloton niet volgen en Indurain nam de leiderstrui van hem over. Op dat moment zag ik dat zich wellicht een supertalent aandiende, met een goede wedstrijdmentaliteit. Het was voor mij nog te vroeg al te spreken over een kampioen. Want hij was pas 22 jaar, en ik dacht meteen aan die verhalen uit België. Daar riepen ze al ik weet niet hoe lang: er komt weer een nieuwe Eddy Merckx aan als een jongen een beetje kon fietsen. Indurain is een uitstekende renner geworden, maar geen Merckx. Hij had veel meer tijd nodig om aan de top te komen. Gun hem de tijd, heb ik altijd tegen zijn begeleiders gezegd.”

Sinds 1988, het jaar van Delgado's Tourzege, kent de routinier Indurain pas goed. “Hij ging mee als mijn helper”, herinnert Delgado zich, “en om te leren. Hij zag op tegen het avontuur. Hij vreesde voor heimwee - hij niet alleen natuurlijk, want dat hebben alle renners en journalisten een beetje. Zijn voornaamste probleem was dat de Tour ruim drie weken duurde. Miguel voelde aan dat hij het een dag of twee, drie geestelijk moeilijk zou krijgen. Dat kon je aan hem zien, het speelde door zijn hoofd. Allez, Miguel, allez, heb ik hem steeds voorgehouden, je komt er wel door. Het ging daarbij om de moraal, de vermoeidheid, het missen van de familie.”

In de Tour van '88 begreep Delgado dat ook Indurain de kwaliteiten bezat om eens de hoofdprijs van la Grande Boucle te veroveren. De Spaanse veteraan zegt slechts een bescheiden bijdrage te hebben geleverd aan de ontwikkeling van de jonge renner. “Ik wilde wel helpen, maar hoe? Het is moeilijk iets te doen voor een man met wie je nauwelijks communiceert. Hij hult zich altijd in stilte, nu nog. Hij zegt weinig. Ik weet niet wat er in zijn kopje omgaat. Zijn levensritme is anders dan het mijne. Ik lees 's avonds een roman, hij nooit. Slaapt de hele dag als het kan. Ja, hij kijkt de krant in. Niet om te lezen, alleen voor de plaatjes. Toch is hij slim, zeker als renner.”

Indurain had in zijn eerste Tour van '88 wel goed rond gekeken. Hij had zijn sterke equipe leren kennen, gezien hoe hij taktisch te werk moest gaan en vooral hoe hij slechte momenten kon overwinnen. Aan dat laatste hechtte Delgado veel waarde. Hoe kwam Indurain zijn zwakke dagen te boven? “Dat is eenvoudig”, aldus Delgado, “het is een kwestie van vertrouwen. Hij barst van het geloof in eigen kunnen. Breukink mist dat vertrouwen voor een ronde van drie weken, Bugno eveneens. Twee of drie ritten, of misschien maar één, zitten ze in een crisis. Indurain krijgt daar óók mee te maken, maar weet zich er over heen te zetten. In de wetenschap, dat hij vierentwintig uur later weer goed marcheert.” Nee, vervolgt Delgado, Indurain is geen perfecte coureur. Want die bestaat niet. Iedereen maakt fouten. “Die horen bij de mens. Iedereen praat nog over Indurains optreden in de Ronde van Italië. Daar wilde hij, de dag na de etappe naar Sestrières, even die Oegroemov mores leren. Hij kwam zelf zwaar in de problemen, net als enkele jaren geleden in de Vuelta, toen overkwam hem iets soortgelijks. Dat is de défaillance, zeggen ze in Frankrijk.”

Heeft hij zo'n ogenblik, is hij niet in optima forma, dan heeft hij volgens Delgado het vermogen dat te verbergen, à la Bernard Hinault vroeger. “Hij verstopt zijn ogen dan achter een donkere bril, zodat niemand kan zien hoe ellendig hij er uit ziet. Ha, ha. Niemand weet het, Miguel spreekt zichzelf moed in en herstelt. Op zo'n dag is hij aan het einde van de rit juist héél sterk.” Dat de boerenzoon Indurain is uitgegroeid tot de vedette Indurain is, weet Delgado, met name te danken aan José-Miguel Echavarri, zijn ploegleider. “Die heeft hem helemaal gebracht, heeft hem lang in mijn schaduw laten rijpen. In het begin dacht Echavarri, die net als Miguel uit de buurt van Pamplona in Navarra komt, dat hij een goede renner voor de klassiekers had gevonden. Gezien zijn gewicht (tachtig kilo), meende hij dat Indurain geen topper kon worden in de Vuelta of de Tour. Later ging Echavarri bij artsen te rade. In overleg met hen vond hij de sleutel naar het succes. Indurain leerde zijn kracht ook te vertalen naar de cols. Het knappe was, dat het beter bergop rijden niet gepaard ging met achteruitgang op de vlakke weg of in de tijdritten.”

De grote doorbraak van Giro- en Tourwinnaar Indurain in 1991 betekende een beetje de figuurlijke dood van Delgado. Bij Banesto noemde men de laatste nimmer de knecht van de nieuwe coming-man. In 1992 waren beiden kopman in de Tour. De beste van de twee zou de steun van de ploeg krijgen. Al in de tijdritten waren de kaarten geschud. Delgado moest een stapje terug doen. Moeite had hij daar niet mee, vertelt hij. “Wie het sterkste is, wordt de patron, zo simpel ligt dat. Miguel was beter.”

Delgado's supporters hadden het er moeilijk mee. Kort voor de Tour van twaalf maanden geleden juichten ze hem nog massaal toe in de Vuelta, waar hij overigens de zege aan Tony Rominger moest laten. Ze zijn Perico ook nu nog niet vergeten, zoals in Frankrijk op de talloze spandoeken bleek. Delgado is nog bijna even populair als Indurain. En dat verdient de temperamentvolle strijder, die dubt of hij zijn laatste jaar bij Banesto zal slijten. Hij kan ook naar de kleine formatie Deportpublic. Salaris: een miljoen dollar.