HET SUÏCIDALE GELOOF DER KAMERADEN

Inessa Armand. Revolutionary and feminist door R. C. Elwood 304 blz., gell., Cambridge University Press 1992, f 92,55 ISBN 0 521 41486 5

This I Cannot Forget. The Memoirs of Nicolai Bukharin's Widow door Anna Larina 384 blz., gell., W. W. Norton & Co 1993 (Nezabyvaemoe 1988), vert. Gary Kern, f 59,75 ISBN 0 393 030 25 3

"En wanneer men in necrologieën over hen schrijft, "op tragische wijze omgekomen ten tijde van de persoonsverheerlijking', verbeter het dan maar in: "op komische wijze omgekomen'.' Aldus schreef Solzjenitsyn in zijn Goelag Archipel, in het hoofdstuk over de vervolging van de communisten in de Sovjet-Unie onder Stalin.

Deze correctie van het rouwbeklag is zeker van toepassing op Nicolai Ivanovitsj Boecharin, de bolsjewistische partij-ideoloog die in 1938 bij de Grote Zuivering door Stalin het leven liet, en die de eigenlijke hoofdpersoon is van This I Cannot Forget, de memoires van zijn vrouw Anna Larina. Maar de uitlating van Solzjenitsyn is moeilijker toepasbaar op Inessa Armand, hoewel ook zij een bolsjewiek was van het eerste uur. Zij stierf al in 1920, vele jaren voordat Stalin het mes in de partij zette. Toch was ook haar dood het gevolg van ingrijpen van hogerhand, en wel van niemand minder dan Lenin die zijn oude vriendin en adjudant om gezondheidsredenen uit het hongerende Moskou naar de Kaukasus stuurde waar zij aan de cholera bezweek. Dat toeval voldoet misschien toch ook aan het "komische' waar Solzjenitsyn van spreekt.

De Canadese historicus R. C. Elwood heeft een monografie aan Inessa Armand (1874-1920) gewijd omdat haar inspanningen voor de Revolutie en het feminisme volgens hem tot nu toe niet de aandacht kregen die zij verdienen. Armand had zich slechts onder ingewijden een kleine reputatie verworven als de vermeende minnares van Lenin. In zijn Inessa Armand. Revolutionary and feminist probeert Elwood dit aantrekkelijke mysterie te ontzenuwen, onder meer aan de hand van haar overgebleven, of althans door de Russische autoriteiten vrijgegeven, briefwiseling met Lenin. Helaas is die correspondentie verminkt en eenzijdig: van Armand zijn nauwelijks brieven bekend en in Lenins brieven is gesneden. Niettemin ontkomt de lezer niet aan de indruk dat Armand in de jaren van ballingschap in het Westen dan wel niet Lenins matresse maar wel zijn trouwste boodschappenmeisje is geweest. Óf ze gaf braaf les op de kaderschool waar het bolsjewistische standpunt op socialistische congressen werd voorgekookt, óf ze werd er op uitgestuurd om zo'n congres te saboteren met procedurele kwesties tot de kameraden van de tegenpartij in arremoede maar toegaven, terwille van de lieve vrede in de beweging.

Als geen van de overval-technieken op een congres lukte, verliet Lenins afvaardiging, te weten Inessa Armand, met goedgespeelde verontwaardiging de zaal. In de periode 1911 tot 1917 telt de lezer wel vier van deze kinderachtige afmarsen. De autoritaire instructies die Lenin meegaf aan Armand doen je blozen van plaatsvervangende schaamte, en wekken medelijden op met het arme schaap, wat niet de bedoeling van Elwood kan zijn geweest.

BELENDEND CAFÉ

Tekenend voor het vertrouwen dat Lenin in zijn ordonnansen had, is de gang van zaken rond het congres in Zwitserland van de Internationale Socialistische Jeugd Bond in 1915. Armand, met haar eenenveertig lentes de jeugdige vertegenwoordiger van de bolsjewieken, moest tussen de bedrijven door telkens naar het belendende café waar Lenin zat om haar verdere optreden te regisseren.

Te harer verontschuldiging zij gezegd dat Lenin in het partijwerk ook van mannen niets anders dan marionettengedrag verwachtte, maar men zou toch denken dat Armand tenminste in vrouwenzaken haar mannetje zou staan. In haar optreden als feministe was ze echter al net zo'n willoos werktuig van de partij als in algemene politieke zaken. En in die hoek viel dat des te meer op omdat daar een karaktervolle dame het woord voerde, Alexandra Kollonta, die Lenin ergerde met haar onafhankelijke gedrag en geschriften.

Krachtens de regel van de minste weerstand kreeg Armand natuurlijk de zeggenschap over de afdeling vrouwenzaken binnen de partij die in 1919 werd opgericht, en niet de dwarse Kolonta die de diplomatieke dienst in werd weggebonjourd. Uit dien hoofde publiceerde Armand een aantal artikelen in Pravda waarvan Elwood toegeeft dat ze aantonen dat ""Armand zich niet in haar publiek kon verplaatsen, zich niet de lasten van het dagelijks bestaan in het vroege Sovjet Rusland kon voorstellen, en bepaald ook niet erg genteresseerd was in vrouwenzaken'. Een dodelijker bepaling van Armands vedergewicht is moeilijk denkbaar.

De geruchten over een relatie tussen Armand en Lenin schijnen trouwens van Kolonta afkomstig te zijn geweest, en nu Elwood ze ontzenuwt, wordt de persoon van Armand nog onbeduidender dan zij al was. Want als haar liefdesleven al geen studie waard is, haar politieke werk is dat helemaal niet. Na lezing van deze biografie kan men zich geheel vinden in de karakterisering van Armand door een tijdgenote: ""Ze was de volmaakte, vrijwel passieve uitvoerder van Lenins bevelen [...] Ze was het prototype van de bolsjewiek: van een strikte, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.'

Elwoods werk lijkt de wrange vrucht te zijn van de publikatiedwang waaronder academici gebukt gaan, en past in een traditie van gemakzuchtige linksisme die mooie sier maakt met de tweedeplans acteurs van het socialisme. Talloze scripties zijn op die manier volgeschetst met de tinnen soldaatjes van de arbeidersbeweging, en dat is misschien niet gek voor zo'n proeve van bekwaamheid, maar te weinig voor een boek.

WAPENBROEDERS

Een herinnering aan Inessa Armand bestaat dus alleen pro forma. Dat is niet het geval met Nicolai Ivanovitsj Boecharin (1888-1938). Hem kunnen wij niet vergeten, daarin heeft zijn weduwe Anna Larina gelijk. Dat betekent overigens niet dat we zijn merites gelijkelijk waarderen.

Zijn vrouw prijst natuurlijk Boecharins onsterfelijke verdiensten voor ""het vroege Sovjet-Rusland', en die zijn ook niet gering als je het marxisme-leninisme voor een begerenswaardig goed houdt. Veel meer dan Armand was hij een wapenbroeder van Lenin tijdens de Revolutie; hij was jarenlang lid van het Politburo het Centraal Comité van de Partij, en een vooraanstaande figuur in de Komintern, het door Moskou beheerste orgaan waarbij alle bolsjewistisch georiënteerde partijen ter wereld waren aangesloten. Bovendien was hij hoofdredacteur van Pravda en staat hij tot op heden bekend in bepaalde kringen als ""een belangrijk marxistisch theoreticus'.

Anna Larina, zozeer gepokt en gemazeld in het geloof der kameraden dat zelfs haar geboortedatum veranderd werd in verband met de sterfdag van Lenin (het zou geen pas geven een partijtje te houden op een dag van rouw), verhaalt alle officiële wapenfeiten met verve en trots. Daarbij heeft ze ook oog voor de menselijke details van haar held, zoals zijn zwakte voor literatuur, jagen, en leren jassen en laarzen. Haar verslag van de lange vriendschap en het korte huwelijk met Boecharin is vol anekdotes en vitaal geschreven, met een perspectief dat van jeugdherinneringen naar ondervragingen door geheime dienst verschiet, van kampervaringen naar de laatste dagen voor Boecharins arrestatie, van speculaties over mensjewistische of trotskistische samenzweringen naar vakanties met Boecharin aan de Zwarte Zee.

This I Cannot Forget is zo een grillig boek dat echter goed maat houdt met de sprongen van het menselijk hart. Larina's poëtische en vechtlustige schrijfwijze winnen de lezer voor Boecharin, maar zeker ook voor haar die met acht jaar kamp en nog eens tien jaar verbanning duur betaalde voor haar liefde. En als maar de helft van de scherpe riposten waarop ze volgens eigen zeggen haar ondervragers onthaalde waar is, dan heeft ze de bolsjewistische hemel waar ze zo graag heen wil tienmaal meer verdiend dan Inessa Armand.

INNEMENDE VERHALEN

Al vóór de verschijning van Anna Larina's herinneringen deden een aantal innemende verhalen over Boecharin de ronde. Dat hij door Lenin de ""gouden jongen van de Revolutie' werd genoemd, is wellicht geen aanbeveling maar de vriendschap en bescherming die hij een tijdlang de anti-sovjet schrijvers Boris Pasternak en Osip Mandelstam toedroeg, strekken hem tot eer. Van groter politiek belang waren zijn pleidooien halverwege de twintiger jaren voor een herstel van enige legaliteit in de Sovjet-Unie, en voor een beteugeling van de gedwongen collectivisatie van de landbouw die een slachting onder de boeren aanrichtte. Hoewel die voorstellen hem tot de leider van de zogenaamde "Rechtse Oppositie' in de Partij maakten, nam hij echter geen enkele afstand van de officiële politiek en bleef Stalin, met lof en aanmoedigingen overladen. Zelf al verdacht in 1926, deed hij enthousiast mee aan de verkettering van de trotskisten en ""overtrof zijn meester in grove en cynische spot', zoals E. H. Carr, dé historicus van deze episode in de Sovjet-Unie, schrijft.

Het gebruik van gespierde taal hebben communisme en fascisme gemeen, en Boecharin was een van de eersten in de Sovjet-Unie die gentrigeerd werd door de nazileer. Zijn wat kinderlijke interesses, die ook Lenin had opgemerkt, strekte zich ook uit tot vuurwapens en als het moest, laat Anna Larina hem zeggen, ""gaf hij het woord aan kameraad Mauser'. Er zit een duistere kant aan Boecharin, die niet terug te vinden is in zijn stomvervelende "mechanistische filosofie', zijn particuliere variant van het marxisme. Anna Larina, die obscure romantiek ook niet vreemd is, spreekt bij herhaling over de aan hysterie grenzende gevoeligheid van haar man, en dat lijkt niet overdreven.

Kort voor zijn arrestatie deed Boecharin een wel zeer theatrale zelfmoordpoging, waarna hij voor een danig geschrokken Anna een bloederig Golgotha-visioen van de Belgische dichter Emile Verhaeren opzegde. Dit vers lijkt de oerscène te zijn van een droom die haar later in de gevangenis bezoekt waarin Boecharin als een gekruisigde Christus verschijnt. De fascinatie door bloed blijkt ook uit de laatste woorden van zijn politieke testament: ""Onthoudt kameraden, dat het banier dat u in een zegemars naar het communisme voert, ook een druppel van mijn bloed bevat'.

Nee, deze man was niet slechts "protype van de bolsjewiek', in weerwil van zijn onwankelbare trouw aan de partij en zijn leider. Dat betekent evenwel niet dat de lezer van harte zal instemmen met Anna Larina als zij de zuivering van de partij door Stalin, en de liquidatie van Boecharin en de zijnen, ""het schrijnendste onrecht uit de geschiedenis' noemt, ""een absurditeit zonder weerga'. Terwijl ze de genocide op het platteland bagatelliseert, briest en blaast Anna Larina bladzijden lang tegen de mensjewieken die met geniepige publikaties in het buitenland Stalins aandacht op Boecharin zouden hebben gevestigd, en zo aansprakelijk voor zijn arrestatie en executie zouden zijn. Deze verdachtmakingen weerkaatsen op vermakelijke wijze de aantijgingen waarvan haar man en zijzelf het slachtoffer werden. Nog altijd probeert de oude bolsjewiek in haar in een reflex Partij en Leider te sparen, en het duivelswerk bij "de ander' te zoeken.

""Boecharins geestdrift voor het terreurapparaat was altijd bovenmatig geweest', schrijft Robert Conquest in zijn standaardwerk over de zuivering, The Great Terror. Toch konden blijkens This I Cannot Forget Anna Larina en haar man zich niet voorstellen dat zijzelf op een dag veroordeeld zouden worden voor samenzwering, spionage, en moordplannen, zaken die zij zo makkelijk bij anderen ontdekten. En wat het echtpaar helemaal niet had kunnen bevroeden was dat Boecharin, en met hem vele andere kameraden, zichzelf en zijn medeverdachten ook werkelijk schuldig verklaarde aan al die onzin.

Dat is de reden waarom wij Boecharin niet mogen vergeten. In het proces tegen hem en de andere "oktobermannen' bleek voor het eerst een verschrikkelijk massapsychologisch mechanisme dat nog steeds niet uitgewerkt is. In de zelfbeschuldiging van de oude bolsjewieken manifesteerde zich een offerbereidheid terwille van de Grote Zaak die recht evenredig was met de eerdere agressie jegens anderen. In deze openlijk beleden doodsdrift deden de bolsjewieken niet onder voor latere politieke en religieuze sectariërs.

In dit martelaarschap moet wel, zoals Solzjenitsyn schreef, iets komisch steken in de ogen van de voormalige slachtoffers van de bolsjewistische zeloten. Maar ook een waarschuwing voor een moordzuchtige en zelfvernietigende trouw.