Het mausoleum van Anne Frank

Een paar weken geleden, op één van de eerste zomerdagen, maakten mijn dochter en ik een tochtje door de stad op een waterfiets. Vertrekkend vanaf het waterfietsstation tegenover het Américain, passeerden wij de duiven die onder de brug bij de Leidsegracht zaten te broeden. Na nog één maal bakboord kruisten wij de Rozengracht, precies op tijd om getuige te kunnen zijn van een tafereel dat zich op de rechter wallekant afspeelde.

Voor een huis stonden twee lange rijen, waarvan er één uit auto's en één uit mensen bestond. De rij auto's werd aangevoerd door een stilstaande bestelwagen. De bestuurder was bezig uit te laden, zo te zien broodjes en andere levensmiddelen. Het duurde kennelijk al enige tijd, want uit de achterhoede nam een even onvermijdelijk als driftig getoeter een aanvang.

Over een lengte van meer dan honderd meter stond op het trottoir de tweede, uit mensen bestaande rij. Men keek wat verveeld naar de claxonnerende auto's, terwijl men voetje voor voetje het huis binnenschuifelde. Uit een andere deur in een belendend perceel schuifelde men voetje voor voetje naar buiten, zodat het niet moeilijk te begrijpen was dat de in- en uitgaande rij de kop en de staart waren van dezelfde menselijke slang. Het hele schouwspel ademde de sfeer van gelaten landerigheid, die je op een druk bezochte dag ook kunt proeven in Disneyland.

“Wat is dat voor een huis?” vroeg mijn dochter.

“Dat is het huis van Anne Frank.”

Ik zag mijn dochter schrikken. Een half jaar geleden heeft zij het dagboek van Anne gelezen, een ervaring die grote indruk op haar heeft gemaakt. Zij had een foto van Anne Frank in haar kamer opgehangen, maar dat het Achterhuis een toeristische trekpleister was die je kon bezoeken, zoals de Efteling, was een gedachte die nooit bij haar was opgekomen. Een beetje ontdaan fietsten wij terug naar onze thuishaven.

Er bleef iets van die gebeurtenis hangen en de volgende dag zocht ik een brief, die ik een paar maanden eerder had ontvangen van de uitgeverij Novella. Samen met een aantal bekende Nederlanders werd mij gevraagd enkele notities uit mijn eigen dagboek in te sturen. Die zouden in een speciale uitgave worden gebundeld onder de titel: De dag van m'n leven. De opbrengst zou gedeeltelijk ten goede komen aan de Anne Frank Stichting.

De gedachte dat ik een dag van mijn leven, of zelfs een seconde daarvan, zou publiceren net zo als Anne Frank ooit had gedaan, leek mij zo'n smakeloze en pedante onderneming, dat ik mij nauwelijks kon voorstellen dat enig bekende Nederlander daaraan zou meewerken. Maar daarin had ik mij natuurlijk vergist, want enige tijd later had ik een tweede brief ontvangen, waarin werd meegedeeld dat onder anderen minister Alders, Jeroen Krabbé, Yvonne Keuls en Herman Krebbers al hadden toegezegd, zodat “mijn bijdrage zich in goed gezelschap zal bevinden”.

Al een tijdje ligt De dag van m'n leven nu in de boekhandel. In de geest van Anne Frank wordt in dat boekje wat afgebabbeld, gekwekt en gekwaakt door de bekende Nederlander. Willebrord Fréquin verhaalt van een dagje met Frank Sinatra, Lenny Kuhr schrijft een tekst “opgeborreld uit het moeras van het denken”, en Carry Tefsen heeft ter ere van Anne Frank een bladzij uit haar dagboek ingestuurd (“straks maak ik zuurkool met gehakt”) onder de titel "Een zelfmoorddag'. Erwin Koeman gaat op trainingskamp, oubol Jacques d'Ancona laat zich waarachtig knippen bij de kapper, en ja hoor - daar zijn wij weer! - zelfs Jan des Bouvrie staat in dat boekje. Jan des Bouvrie voor Anne Frank, met tekeningetjes van het allernieuwste bankstel.

Wie er ook in staat, is Herman Krebbers. Hij beschrijft de inderdaad voor hem tragische dag waarop hij zijn violistenarm verwondde, maar was het ter nagedachtenis van Anne Frank niet eerlijker geweest als Krebbers de dag in 1944 had beschreven, toen hij samen met pianist Cor de Groot had staan fiedelen op het buitenhuis van Seyss-Inquart? Daarvoor werd Krebbers na de oorlog voor twee jaar van het Nederlandse muziekleven uitgesloten, een straf die later ongedaan werd gemaakt, omdat de Centrale Ereraad, zuiveringsmoe, een rotsmoes van Krebbers accepteerde (1).

Erg kies is de Anne Frank Stichting in haar uitnodigingsbeleid overigens nooit geweest. Toen in 1985 onder haar auspiciën de gedichtenbundel Dichter bij Anne verscheen, stond er ook een bijdrage in van Garmt Stuyveling, met onder meer deze regels: "Uit giftig blauwzuurgas is, neemt men aan,/ voor vier miljard jaar 't leven hier ontstaan/ Is't dan nog vreemd, dat met zo'n kwalijke oorsprong/ alles op aarde altijd is misgegaan'.

Erg mooi en verheven, maar als Anne Frank vóór de oorlog had gedebuteerd, zou Stuyveling in de Historische schets der Nederlandse letterkunde wel een "J' achter haar naam hebben gezet (2).

Nu staat er in Dichter bij Anne nog een aantal gedichten die de moeite waard zijn, maar De dag van m'n leven is met een ordinaire liefdeloosheid aan elkaar geplakt. Helaas geldt hetzelfde voor Samen Verder, een cd die nog niet zo lang geleden ten bate van de Anne Frank Stichting is uitgebracht. Ramses Shaffy, Jos Brink, Joke Bruys, Ted de Braak en al die andere bekende Nederlanders paraderen aan ons voorbij in een potpourri, waarvan de geluidskwaliteit godzijdank zo abonimabel is dat je de teksten nauwelijks kunt verstaan. Even hebben al die kampioenen van het vermaak de struisvogelveren uit hun achterste getrokken om ons in naam van Anne Frank bang te maken: "De terreur neemt dagelijks toe./ Het is tijd niet langer te zwijgen./ Ook al ben je het strijden moe./ Geef niet op, want ook jou kunnen ze bedreigen'.

Het lijkt erop dat de Anne Frank Stichting de laatste tijd als producent van rotzooi naam begint te maken. Zo werd onlangs Een boek van mijn dromen uitgezonden, een opdrachtfilm van de Anne Frank Stichting, die in deze krant op 7 mei van dit jaar door Hans Beerekamp werd gekarakteriseerd als "een gelikt produkt zonder kraak of smaak'. Volgens Beerekamp maakte "de kwartjesfilosofie', dat het nazisme nog even gevaarlijk is als vijftig jaar geleden, de film "zo mogelijk nog platter'. Woorden, die mij uit het hart zijn gegrepen.

De vraag is natuurlijk hoe het zover heeft kunnen komen. Ten dele ligt het antwoord voor de hand en moet het worden gezocht in de grote getallen, in het kwantitatieve succes van de Anne Frank Stichting. Jaarlijks krijgt het Achterhuis zo'n 600.000 bezoekers te verwerken. Er zijn mensen die dit een verheugend feit vinden, een hoopvol teken in een tijd van opkomend fascisme. Maar hoe zinvol de strijd tegen rassendiscriminatie ook is, zo zinloos lijkt het om jaarlijks 600.000 toeristen door het Anne Frankhuis te jassen. Veel meer dan de rug van de voorgangers krijgen de meesten op hun bedevaart niet te zien. Daar valt ook niets aan te verbeteren, want elke uitbreiding gaat logischerwijs gepaard met een aantasting van de authenticiteit van het Achterhuis.

Ik wil best aannemen dat een groot aantal toeristen het Achterhuis bezoekt uit werkelijke interesse, maar elke keer als ik zo'n lange rij wachtenden zie staan, moet ik denken aan het verhaal van een kennis die in haar studententijd de kaartjes verkocht in het Anne Frankhuis. Zij zag er nogal joods uit, inderdaad een heel klein beetje zoals Anne Frank. Het overkwam haar dan ook bijna wekelijks dat na een rondleiding een Amerikaans echtpaar op haar toekwam en zei: “Oh, Anne! It must have been a terrible time for you!”

In feite zijn er twee strategieën om de toevloed van bezoekers het hoofd te bieden: uitbreiding en inkrimping. De Anne Frank Stichting heeft voor uitbreiding gekozen. Omliggende percelen zijn reeds en zullen aan het Achterhuis worden toegevoegd, er komt een glazen uitbouw en zelfs de kastanje achter het huis zal voor het onzedelijke bedrag van 365.000 gulden worden opgekalefaterd. Meer dan drieëneenhalve ton voor het voorlopig redden van een boom - hoeveel vluchtelingen zouden met dat bedrag geholpen kunnen worden?

Eerlijk gezegd zie ik niet zo veel in die uitbreiding, en niet alleen omdat er iets onzegbaar treurigs zit in dat gehang van al die duizenden bezoekers. Er is ook een andere, meer filosofische reden waarom de hele cultus rond Anne Frank mij tegenstaat.

De Anne Frank Stichting stelt zich ten doel "om nationaal en internationaal de idealen uit te dragen, zoals zij die in haar dagboek heeft verwoord'. De Anne Frank Stichting geeft deze idealen inhoud "door het bestrijden van discriminatie, racisme en antisemitisme en het bevorderen van een democratische, pluriforme samenleving, waarin ieder mens gelijkgerechtigd wordt behandeld'.

Geen weldenkend mens zal betwisten dat hier belangrijke zaken aan de orde zijn, maar het punt is dat het dagboek niet over deze idealen gaat. Wat het dagboek van Anne Frank zo indrukwekkend maakt, is de beschrijving van een gezin, dat is weggekropen achter een kast. Zonder opsmuk en zonder snorkerigheid is het een beschrijving van mensen, die noodgedwongen met elkaar samenleven in een kleine ruimte. Het dagboek gaat over de onderlinge spanningen, over verliefdheden en jaloezie, over kleine ruzies en over de angst die tegen wil en dank tot saamhorigheid dwingt. Daarin ligt de kracht van het dagboek. De enkele politieke opmerkingen die Anne toch heeft gemaakt, bijvoorbeeld dat "jodenhaat begrijpelijk is, soms zelfs menselijk' (3), behoren niet tot haar sterkste observaties.

Dan is er nog een ander punt waar Bruno Bettelheim in The ignored lesson of Anne Frank en Freedom from the ghetto thinking op heeft gewezen (4). In deze essays probeert Bettelheim, zelf een overlevende van Buchenwald en Dachau, een antwoord te vinden op de vraag waarom zo veel Duitse en Oostenrijkse joden zo achteloos hebben gereageerd op het naderend gevaar.

In de jaren dertig, toen het velen duidelijk werd dat Hitler werkelijk meende wat hij zei, bleven de meeste Duitse en Oostenrijkse joden passief. De nazi's zagen de joden toen nog het liefst vertrekken en zij probeerden dit doel te bereiken door een actief emigratiebeleid. Weliswaar waren de joden gedwongen een groot deel van hun bezittingen achter te laten, maar emigratie was toch nog iets anders dan opsluiting in een concentratiekamp.

Veel joden bleven, terwijl het vrij gemakkelijk was aan een visum voor China of Cuba te komen. Bettelheim zelf was er getuige van dat joden de vereiste papieren voor de Filippijnen weer inleverden, hoewel zij wisten dat dit dramatische consequenties zou hebben. In totaal is slechts twintig procent van de Duitse en Oostenrijkse joden geëmigreerd en hebben de overigen gelaten hun lot afgewacht.

Ook toen de oorlog eenmaal was uitgebroken, reageerden de meeste joden naëf en lijdzaam. Hoe is het mogelijk, vraagt Bettelheim zich af, dat joodse instellingen zo bereidwillig zijn geweest bij deportaties? Hoe is het mogelijk dat er, op een enkele uitzondering na, in de concentratiekampen geen opstanden zijn uitgebroken? Wat had men onder de rook van de draaiende gasovens nog te verliezen? Tenslotte rekent Bettelheim ons voor dat in de uitvoering van de holocaust nog geen honderd Duitsers zijn gedood, een schrijnend getal in vergelijking met de miljoenen joodse slachtoffers.

Bettelheim spreekt hier niet in termen van verwijt, maar van verbazing. Met die instelling probeert hij ook een antwoord te vinden op de door hem opgeworpen vragen. Volgens Bettelheim is de passieve houding van de joden voor een deel te verklaren uit een fenomeen, dat hij het getto-denken noemt. Het getto-denken is niet zonder meer negatief. Bij het getto-denken horen onder meer: warme familiebanden, de jiddische mama, linzen- en kibbesoep ("de joodse penicilline'), een directe relatie tot God, ootmoed en een speciaal gevoel voor humor. Kortom, allemaal aspecten die bij heel wat groepen en volkeren pijnlijk afwezig zijn.

Maar het getto-denken verschaft ook allerlei excuses voor de aanvaarding van een leven dat in feite niet menswaardig is. Het verschaft een alibi om vernederingen met een zekere onkwetsbaarheid te doorstaan, om mee te lachen als de onderdrukker een antisemitische mop vertelt. In dat opzicht is het getto-denken een vreemde mengeling van meerderwaardigheids- en minderwaardigheidsgevoelens. Het heeft er, volgens Bettelheim, in ieder geval toe geleid dat organisaties als de Joodsche Raad zo naëf, en zo vèrgaand, aan het Duitse deporatiebeleid hebben meegewerkt.

Voor Bettelheim vinden wij in het Achterhuis alle elementen van het getto-denken. “Het is”, schrijft hij, “precies deze kwestie die mij kritisch doet staan, niet tegenover de familie Frank, noch tegenover Anne, maar tegenover de positieve ontvangst die haar dagboek over de hele linie in de Westerse wereld heeft gekregen.” En hij voegt hier aan toe: “Kennelijk beschouwen wij het als een vorm van grandeur wanneer iemand zich passief aan het zwaard onderwerpt, wanneer het hoofd wordt gebogen op een manier die een mens (...) verlaagt tot een ding.”

Bettelheim schreef zijn essay in 1962. Eenendertig jaar later kijk ik naar de lange rij wachtenden - nog maar een klein partje in de stroom van 600.000 bezoekers - en ik besef dat Bettelheims woorden alleen maar actueler zijn geworden.

De familie Frank barricadeerde de deuren en sloot zich op in vertrek zonder echte nooduitgang. Het ging erom niet ontdekt te worden. Aan ontsnappen werd eigenlijk niet gedacht. Daarmee creëerde de familie Frank haar eigen kleine getto. Bettelheim merkt op dat niet alle ondergedoken joden deze strategie hebben gevolgd en in dit verband verwijst hij naar een meesterwerkje dat hij in een Engelse vertaling heeft gelezen: Bitter Herbs. Inderdaad, Het bittere kruid van Marga Minco. Dat is het verhaal van een meisje dat besloot weg te lopen op het moment dat haar ouders zich zonder verzet lieten arresteren.

Het is op zichzelf nuttig wanneer er een organisatie bestaat, die discriminatie bestrijdt en die zich actief inzet voor de belangen van allochtonen. Maar de Anne Frank Stichting zou er goed aan doen te beseffen dat zij daarmee een principieel andere denkwereld representeert dan die van haar naamgeefster.

Daarom zou ik ervoor willen pleiten de politieke activiteiten van de Anne Frank Stichting los te koppelen van het dagelijkse beheer van het Achterhuis. Zo'n ingreep zou het mogelijk maken het bezoekersaantal van het Achterhuis drastisch te beperken. Geinteresseerden zouden voortaan telefonisch moeten reserveren. Velen zullen daardoor teleurgesteld worden. Dat is jammer, maar daar staat tegenover dat degenen die tijdig de moeite hebben genomen om te reserveren, op een waardige manier de mogelijkheid krijgen het Achterhuis te bezoeken. De politieke tak van de Anne Frank Stichting zou een andere naam moeten krijgen. Laten wij zeggen: de Marga Minco Stichting. Als mevrouw Minco dat wil, is dat in ieder geval een eerbetoon aan een overlevende. Maar gezien de uitbreidingsplannen vrees ik dat het voorlopig niet zo ver zal komen.

Nog altijd ligt Anne als symbool goed in de markt. Onlangs las ik dat Agaath Witteman opnieuw Het dagboek van Anne Frank als theaterstuk gaat brengen. Een tentoonstelling en speciaal lesmateriaal voor de scholen zullen de produktie begeleiden. In een brief aan de theaterdirecteuren heeft mevrouw Witteman al laten weten dat zij met deze voorstelling “een link wil leggen naar het opkomend racisme en de vreemdelingenhaat in de huidige tijd”. Ik houd mijn hart vast, ik ben bang dat mevrouw Witteman met deze voorstelling eerder mikt op volle zalen dan op een beter begrip van Anne Frank.

1) Zie ook Landverraad van Koos Groen, pagina 223 en 224. Unieboek 1984.

2) Stuyveling heeft als co-auteur van de Schets van de Nederlandse letterkunde in de zeventiende druk (1942) bij de namen van sommige auteurs expliciet toegevoegd dat zij van joodse afkomst waren.

3) Het Achterhuis, dagboekbrieven van Anne Frank, Bert Bakker 1993. Zie pagina 267.

4) Bruno Bettelheim, Surviving and other essays. Thomas and Hudson, 1979. En: Freud's Vienna and other essays. Vintage Books, 1991.