GOLF-CRISIS

Nederland en de Golf-crisis: media, terreur door U. Rosenthal en J. de Vries (red.) 212 blz., Gouda Quint 1993, f 29,90 ISBN 90 387 0170 5

Drie jaar geleden begon de oorlog in de Golf. Op 2 augustus 1990 vielen Iraakse troepen het oliestaatje Koeweit binnen. Meer dan vijf maanden vol dreigende taal, militaire machtsopbouw en het zoeken naar diplomatieke uitwegen volgden. Op 17 januari 1991 kwam Desert Storm, de geallieerde militaire actie tegen Irak.

Vrijwel meteen na de inval in Koeweit raakte Nederland rechtstreeks betrokken bij het conflict. Marineschepen stoomden op naar de Perzische golf, later werden Patriot-raketten van de Nederlandse luchtmacht ingezet om Turkije en Israel te beschermen. Daarnaast hield het lot van de enkele honderden in Irak en Koeweit gegijzelde landgenoten Nederland enkele maanden bezig. Bij het begin van het geallieerde offensief was de publieke belangstelling voor de oorlog zo groot, dat de meeste landelijke dagbladen met speciale zondagsedities kwamen.

Het lijkt daarom een goed idee vanuit Nederlands perspectief deze periode onder de loep te nemen. Een grote groep wetenschappers van de Rijksuniversiteit Leiden en de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft dit gedaan. Met weinig opwekkende gevolgen.

In de door voornoemde groep wetenschappers gepubliceerde bundel van Nederland en de Golfcrisis strijden in ieder geval knulligheid en geneuzel over bijzaken om voorrang, terwijl met grote trefzekerheid de hoofdzaken zijn weggelaten. Een voorbeeld van dit alles is de uitvoerige analyse van de (in Nederland nauwelijks aanwezige) dreiging van terroristische aanslagen ten tijde van de Golf-oorlog. Wel zes redenen weten de auteurs te bedenken als verklaring voor het uitblijven van terreurdaden in ons land. Een ander voorbeeld is het in dit boek gepresenteerde onderzoek naar de vraag of de televisiebeelden tijdens de Golf-oorlog bij volwassenen angstreacties opriepen. Dat bleek bij afwezigheid van schokkende beelden nauwelijks het geval. Deze conclusie ligt zo voor de hand dat je toch nog even schrikt als iemand hem zonder blikken of blozen opschrijft.

Het deel van het boek dat de politieke besluitvorming over de Nederlandse betrokkenheid bij het Golf-conflict behandelt, staat bol van de structuur- en procesvariabelen. Zo wordt de Nederlandse politiek nog saaier dan zij al is. Met dorre theoretische taal wordt de besluitvorming over de inzet van Nederlandse militiaren en het sturen van een missie naar Bagdad om de gijzelaars vrij te krijgen volledig ontdaan van de politieke spanning die deze onderwerpen in het najaar van 1990 opriepen.

Aan wat de lezer toentertijd in de kranten heeft kunnnen lezen, wordt in het geheel niets toegevoegd. Dat steekt vooral, omdat de wetenschappers toegang hebben gekregen tot de bij de besluitvorming rechtstreeks betrokken ministers, hun ambtelijke adviseurs en parlementariërs. Op basis van de met hen gevoerde interviews zou toch een spannende reconstructie van de besluitvorming mogelijk moeten zijn.