Filmstudio Elstree moet na een roerige geschiedenis sluiten

LONDEN, 24 JULI. Elstree, de oudste filmstudio van Engeland, gaat dicht. De huidige eigenaar, het entertainmentbedrijf Brent Walker, wil het jaarlijkse verlies van één miljoen pond op de studio's niet langer dragen. “Door de ondergang van de Britse filmindustrie zijn de faciliteiten de laatste drie jaar substantieel te weinig gebruikt,” aldus een verklaring. “We kunnen niet langer doorgaan met het subsidiëren van een studio waar blijkbaar geen vraag naar is.” Brent Walker is er niet in geslaagd een nieuwe koper te vinden.

Al in 1914 verrezen op een drassig weilandje in de buurt van het gehucht Elstree, op 24 kilometer ten noordwesten van het centrum van Londen, de eerste loodsen van het latere filmcomplex. Het initiatief kwam van de acteurs John East en Percy Nash, die daarmee een gat in de markt dachten te vullen: met een fabrieksgewijze produktie zouden ze op een goedkope manier kunnen inspelen op de sterk stijgende vraag naar films. De eerste resultaten gaven reden tot optimisme, tot de markt na het eind van de Eerste Wereldoorlog werd overstroomd met Amerikaanse produkties en Elstree in de problemen raakte. In 1926 werd de onderneming overgenomen en uitgebreid door de Amerikaanse ondernemer J.D. Williams. Eén van zijn eerste employés was de 28-jarige Alfred Hitchcock, die een driejarig contract voor twaalf films tekende voor de royale somma van 13.000 pond per jaar.

Hitchcock was ook degene die in 1929 op het Elstree-terrein de eerste Engelse speelfilm met geluid regisseerde. See & hear it! Our mother tongue as it should be spoken! heette het op de affiches, met een onderhuidse verwijzing naar de Amerikaanse geluidsfilms die toen al werden vertoond. De produktie van Blackmail had echter heel wat voeten in de aarde, omdat Hitchcock de hoofdrol liet vertolken door de Tsjechische actrice Anny Ondra. Eerder had ze met veel succes een paar rollen in zijn zwijgende films gespeeld, maar nu bleek haar accent opeens een aanzienlijke hinderpaal. De enige oplossing was om een Engelse actrice buiten beeld de tekst in de microfoon te laten zeggen, terwijl Anny Ondra voor de camera haar lippen bewoog.

Decennia lang stond Elstree bekend als "het Britse Hollywood', tot de continuteit in de Engelse filmproduktie in de jaren zeventig in het slop raakte. Bovendien speelde mee dat er, net als in veel andere landen, steeds vaker op lokatie werd gefilmd. De behoefte aan eigen studio's liep terug. Elstree kreeg echter een injectie door de komst van Amerikaanse produkties als Star Wars en de Indiana Jones-films. “Hier werken de beste filmtechnici ter wereld,” zei Steven Spielberg. Eén van de laatste internationale hits die in Elstree werden gemaakt, was Who Framed Roger Rabbit? Maar ook hierin kwam de klad, toen steeds meer andere landen zich op een presenteerblaadje aan Hollywood begonnen aan te bieden, met tal van financiële voordelen, en Elstree die concurrentie niet langer aankon.

De laatste jaren heeft het studiocomplex diverse eigenaren gehad. Sinds 1969 was Elstree in handen van de diversificerende platenmaatschappij EMI, die er in 1986 geen toekomst meer in zag en de aandelen overdroeg aan het legendarische Cannon-imperium van Menahem Golan en Yoram Globus. Bij die gelegenheid beloofden de heren dat er nu minstens tien films per jaar zouden worden gemaakt.

Achteraf bleken hun beloftes niet veel waard te zijn. Twee jaar later werden Golan en Globvus opzij geschoven door de roemruchte Giancarlo Parretti, die meteen het mes in de verliesgevende bedrijven zette en aankondigde dat Elstree zou worden gesloten. Ondanks de plaatselijke campagne SOS (Save our studios) en de morele steun van Spielberg werd een groot deel van het terrein verkocht aan een projectontwikkelaar. Wat overbleef, werd overgenomen door de in gokkantoren en cafés handelende Brent Walker Group. Veel films kwamen er echter niet meer; alleen de tv-serie Inspector Morse leverde nog regelmatig werk op.

De ondergang van Elstree is in Engeland niet alleen aanleiding voor een nostalgische terugblik op een glorieus filmverleden, maar ook voor de vraag of de continuteit in de filmproduktie ooit nog te herstellen zal zijn - en of er dan weer behoefte zal zijn aan studio's op de oude schaal. De onzekere positie van andere Europese studiocomplexen (zoals Babelsberg, de vroegere UFA-studio bij Berlijn, en Cinetone in Duivendrecht) laat zien dat die vraag niet zonder meer positief kan worden beantwoord.