ENGE BEESTJES UIT DE COMPUTER

Artificial Life door Steven Levy 390 blz., Pantheon Books 1992, f 59,25 ISBN 0 679 40774 X

Als een pop ""mamma'' kan zeggen, is ze dan een levend wezen? De overeenkomsten met een mens zijn duidelijk, maar maken het ding nog niet levend. Tegenwoordig is er echter door alle technische hoogstandjes die veel meer kunnen dan ""mamma'' zeggen een groeiend grijs gebied tussen leven en niet-leven. Artificial Life gaat over in de computer gesimuleerde levensvormen. Het betreft gewoon modellen, maar auteur Steven Levy neemt ze bijzonder serieus. ""Door leven te creëren,'' aldus de flaptekst, ""kunnen we eindelijk te weten komen wat leven is.'' Die behendige zin kenmerkt het boek: een definitie van leven wordt niet gegeven maar steeds wordt gesuggereerd dat de besproken creaties als echt leven moeten worden beschouwd.

Niettemin is Artificial Life een degelijk boek over een fascinerend onderwerp. Het begint bij de eerste ideeën over zichzelf reproducerende machines van de pionier der computergeleerden, John Von Neumann, en reikt tot en met de verbazingwekkende experimenten met in de computer nagebootste evolutie rond 1990. Tegenwoordig is het, nog geen veertig jaar na Von Neumann, mogelijk om in computerprogramma's organismen te definiëren die met elkaar wedijveren om iets wat hun succes bepaalt, bijvoorbeeld rekentijd. Elk organisme is in wezen een kort programma dat zichzelf tracht te kopiëren. Kopiëren kost rekentijd en hoe minder daarvan nodig is, des te meer kopieën er van het betreffende organisme in omloop komen. Bij het kopiëren kunnen foutjes ontstaan die de rol van mutaties spelen.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de door Levy beschreven experimenten van de Amerikaan Tom Ray: deze startte zijn zelf-reproducerende programma voor de eerste keer bij wijze van test, zonder er al te veel van te verwachten, en werd getrakteerd op een heuse evolutionaire wapenwedloop. Er ontstonden "parasieten', die gebruik maakten van de kopieerinstructies van andere organismen. Daardoor kon het programma waaruit de "parasieten' zelf bestonden korter zijn, sneller gekopieerd worden en dus meer succes hebben. Vervolgens ontstonden er "beestjes' die immuun waren voor de parasieten enzovoorts.

FRUITVLIEGJES

Deze en dergelijke simulaties stellen theoretisch biologen tegenwoordig in staat om met de evolutie te experimenteren. Ze zijn niet meer compleet afhankelijk van fossielen of van gedoe met fruitvliegjes. Ze kunnen duizenden kunstmatige generaties voorbij laten gaan en daarna statistiek bedrijven op het genenpatroon van elke generatie afzonderlijk. Het bleek dat sommige spontane mutaties zeer succesvol kunnen zijn. Zo is het tot een prachtige onderbouwing gekomen van de theorie van de sprongsgewijze evolutie.

Voorzichtigheid blijft geboden want het gaat "slechts' om simulaties, om modellen. Maar ze hebben wel een zeldzame overtuigingskracht. In de computer blijken simpele modellen voldoende om bepaalde natuurlijke processen realistisch na te bootsen. Vogelachtige "wezens' met maar drie "leefregels' (een onderlinge aantrekkingskracht, een neiging om hun vliegsnelheid op elkaar af te stemmen en een afstotende kracht op korte afstand om botsingen te voorkomen) blijken in grote aantallen een verbazend realistisch vliegende zwerm te vormen. Hoogstaande vormen van communicatie zijn voor dit gedrag dus niet noodzakelijk.

Nu blijkt hoe gecompliceerd gedrag kan voortkomen uit eenvoudige regels worden veel onderzoekers uit de wereld van kunstmatige intelligentie naar het kunstmatige leven gezogen. Dat heeft geleid tot de ontwikkeling van insektachtige robotjes die zonder tijd aan rekenen te verspillen simpele regels volgen. Bijvoorbeeld: op waargenomen eten (een stopcontact!) af gaan; is dat er niet, dan rechtuit lopen; is er een hindernis, dan deze volgen. Dit leidt indrukwekkend snel tot succes (opgeladen batterijen) al komt het bionische equivalent van de eindeloos tegen het raam botsende vlieg ook voor.

Dit soort insektode robots, gemaakt door het Massachusetts Institute of Technology, hebben bovendien een geweldig PR-appeal. Ze zijn vertederend, levensecht, flexibel en zelfstandig. Het valt te bezien welke plek deze machientjes in de wereld krijgen. Echte insekten reageren primair op zintuiglijke indrukken en zijn daarmee bijzonder succesvol, maar mensen, die hun handelen baseren op kennis van de wereld, zijn dat ook. Er is dus geen reden waarom robots naar het model van insekten altijd succesvoller moeten zijn, of meer "levend', dan naar het beeld van de mens geschapen machines.

Wat Levy kunstmatig leven noemt, maakt duidelijk welke criteria in ieder geval onvoldoende zijn. Niet alles wat beweegt, leeft. Abstracties in een computer die zichzelf repliceren zijn nog geen levende wezens. Het is dan ook voorbarig dat Levy in zijn boek serieus de mogelijkheid van een ziel of burgerrechten voor elektronische organismen behandelt.

Koloniale regiem