DWANGARBEID IN SOMPIG LAAGLAND

Slikken of Stikken. 1939-1955: Werkverschaffing in Groningen door Cees Stolk 248 blz., gell., Meinders 1993, f 34,90 ISBN 90 72672 15 1

Het is, achteraf bezien, allemaal voor niets geweest. Zo zien de meeste betrokkenen dat, tenminste. Ze moesten land winnen in het slib aan de noordelijke kust van Groningen, vaak ver van huis en haard, tegen hongerloontjes en in erbarmelijke omstandigheden. ""Hun werk is zwaar,' schreef een krant in het gedienstige journalistenproza van die dagen, ""maar zij werken voor de toekomst waarvan wij menschen altijd hopen, dat zij schooner en rijker zal zijn dan het heden.' Aan de polders die duizenden uit de drassige grond stampten, bleek uiteindelijk echter geen behoefte te bestaan. Nu zijn het natuurgebieden. ""Het land waar wij voor geknokt hebben, waar zoveel zweet ligt, is verwaarloosd,' zegt één van hen, ""Ik heb er niks te zoeken. Je ziet er alleen maar scholeksters en leeuweriken.'

De vijf polders die Groningen kreeg, werden - gedwongen - aangelegd door werklozen. Eerst, in de jaren dertig, in het kader van de werkverschaffing. En toen dat woord na de oorlog te besmet was geworden, heette het Dienst Uitvoering Werken (DUW). Maar het kwam op hetzelfde neer. Dat blijkt overduidelijk uit de gedetailleerde naspeuringen van de Groningse journalist Cees Stolk, die hij bundelde in zijn boek Slikken of Stikken. Het is een boek gebaseerd op archief-onderzoek en gesprekken met ruim dertig mensen die het hebben meegemaakt. Er rijst een beeld uit op van een onherbergzame vlakte, waar slavenarbeid werd verricht door mannen met gebrek aan slaap, gebrek aan gezond voedsel en gebrek aan passende kledij. Een werkloze kantoorbediende herinnert zich de eeuwige blaren op zijn handen (""open wonden waar het zoute water in trok') en de laarzen die werden verstrekt: ""De één stapte eruit, de ander stapte er zo weer in. Op een gegeven moment voelde ik wat aan mijn benen. Ik kijken en ja hoor, een soort eczeem, opgelopen van een ander.'

Op straffe van uitsluiting van een uitkering werden werklozen gedwongen zich te onderwerpen aan het straffe bewind van Heidemij en Grontmij, de uitvoerders van de DUW. De wederopbouw vergde ieders inzet, heette het. In januari 1946 werkten al 63.105 mannen op de diverse projecten. Het enige verschil met de vooroorlogse werkverschaffing was dat de lonen nu dichter bij die in het vrije bedrijf kwamen te liggen. Maar het bleef een schraal bestaan, waarover in de kranten alleen in de meest behoedzame termen werd bericht. Toen een verslaggever van Trouw zijn interview met DUW-directeur Mansholt vóór publikatie ter controle toestuurde, voegde de wakkere reporter eraan toe: ""Natuurlijk kunt u zoveel corrigeren als u wilt.' Mansholt greep die kans met beide handen aan; hij voegde aan het toch al propagandistische proza nog graag wat trotse cijferreeksen aan.

HAAGSE ONRUST

Alleen het communistische dagblad De Waarheid voerde een felle campagne tegen de DUW. Stolk suggereert dat de opheffing van de gedwongen tewerkstelling, in 1954, mede werd ingegeven door Haagse onrust over de groeiende invloed van de CPN in de kampen en de nabij gelegen gemeenten. In elk geval was een onderzoek van het Amsterdams Psychologisch Laboratorium naar de werkomstandigheden in de DUW-kampen, een paar jaar eerder, nog zonder gevolgen gebleven. Toch loog dat het rapport van de Amsterdamse psychologen er niet om: de DUW-arbeider had, aldus de onderzoekers, alle reden zich te voelen ""als een uitgestotene uit het normale, vrije maatschappelijke leven'.

Een afzonderlijke episode in de Groningse werkverschaffing speelde zich af tijdens de oorlogsjaren. Eerst werden de ""gewone' werklozen geronseld voor werk in Duitsland en daarna ontstond ruimte voor de eerste werkloze joden. ""Met schop, spade en pikhouweel moeten wij als galeiboeven werken,' schreef een voormalig vertegenwoordiger in tabaksartikelen. ""We zijn doodop en velen zullen dit leven niet kunnen volhouden.' Ir A. Kwast, de Groningse rijksinspecteur voor de werkverschaffing, kreeg opdracht de joden minder te eten te geven dan de niet-joden in de kampen hadden gehad. Hij weigerde, nam ontslag en werd in 1944 wegens verzetswerk gefusilleerd. Zijn zoon knipte in 1947 het lint door van de Linthorst Homanpolder, genoemd naar de Groningse commissaris van de koningin met het omstreden oorlogsverleden. De herinnering aan Kwast is bewaard in een naar hem genoemd, doodlopend betonpad.

VIJF KOGELS

Dezelfde kampen die in de oorlog waren volgestopt met joden, werden na de bevrijding ingericht voor collaborateurs. In de helft van de kampen vonden zware mishandelingen plaats, aldus Stolk. Eén van zijn gesprekspartners vertelt hoe de bewakers werden geselecteerd: ""Je nam vijf kogels mee naar het Wad en moest daar op een blik schieten. Miste je niet al te vaak, dan was je geoefend bewaker.' Maar de man kijkt er zonder wroeging op terug. ""Ik weet wel,' zegt hij, ""dat de NSB'ers als straf over prikkeldraad moesten springen en met geweerkolven op hun bliksem kregen. Nee, ik vond die strenge behandeling niet erg. Hadden ze verdiend.'

Het is, alles bij elkaar, een weinig verheffende geschiedenis die zich onder de lage luchten van het Groningse land heeft afgespeeld. Na zijn feitelijke relaas, van werkverschaffing tot DUW en de oorlog daar tussenin, volgen nog de interviews die Stolk maakte. Ontroerende verhalen vaak, over mensenlevens die door de tewerkstelling onherstelbare verwondingen hebben opgelopen. Zoals dat van de vrouw die moest meemaken hoe haar man op een dag in 1953 bekneld raakte onder een kipkar en dood werd thuisgebracht. ""Hij lag in een bodewagen. Als een hond brachten ze hem thuis. Op een ladder. Nee, die goeie ouwe tijd is niet mooi. Het was een vernederende tijd. Daar kun je een boek over schrijven.' Goed dat dat nu is gedaan.