De trage verloedering van Suriname's gezondheidszorg

ROTTERDAM, 24 JULI. Twee nieuwe liften kreeg het Academisch Ziekenhuis van Paramaribo zomer vorig jaar, na maandenlange onderhandelingen met het ministerie van volksgezondheid. Eenmaal genstalleerd bleek er een probleem te zijn: het waren geen ziekenhuisliften, maar personeelsliften. Te klein voor een patiënt met bed en behandelingsapparatuur, en dus nutteloos voor transport tussen de intensive care op de eerste en de operatiekamers op de tweede verdieping. De medische staf was niet gekend in de opdracht aan de aannemer, een goede bekende van een lid van de raad van commissarissen van het ziekenhuis.

De anekdote tekent het verval van het Academisch Ziekenhuis, het enige in de regio en ooit de trots van de Surinaamse gezondheidszorg. Tijdens de militaire dictatuur in de jaren tachtig werd vrijwel niets meer genvesteerd in het ziekenhuis, dat ongeveer duizend personeelsleden telt en beschikt over circa 350 bedden. Incompetentie en politieke benoemingen - het AZ is een "landsbedrijf' - frustreerden het management. Van het driekoppige directieteam is na het vertrek van de economische en algemeen directeur alleen medisch directeur G. Codfried nog in functie. De tekorten liepen op tot 17 miljoen gulden in 1991 en ruim 20 miljoen vorig jaar, op een jaarrekening van ruim 40 miljoen. Zeventig procent van de apparatuur werkt niet. Pas afgestudeerde verpleegkundigen trekken weg naar Nederland, Curaçao of de Verenigde Staten, waar ze dankzij de goede reputatie van Surinaamse verpleegkundig personeel doorgaans gemakkelijk een baan vinden. De personeelsleden die blijven gaan regelmatig in staking: vorig jaar riep hun vakbond de bevolking op het ziekenhuis te mijden, omdat het een “gevaar voor de volksgezondheid” zou vormen.

Een Nederlandse missie die het ziekenhuis begin dit jaar doorlichtte in het kader van hernieuwde samenwerking met Suriname trok dan ook een vernietigende conclusie: het in de jaren zestig gebouwde ziekenhuis verkeert in een “deplorabele situatie”. De organisatie functioneert chaotisch, het personeel “in alle lagen van het bedrijf” is gedemotiveerd.

Ooit was het anders. Suriname kent een op Nederlandse leest geschoeide gezondheidszorg (kosten: 180 miljoen per jaar), die jarenlang gunstig afstak bij de medische voorzieningen in de buurlanden. Ruim negentig procent van de bevolking is verzekerd tegen ziektekosten, het grootste deel (ongeveer 130.000) bij het Staatsziekenfonds voor ambtenaren en hun gezinnen, een kleiner deel particulier of via een bedrijfsverzekering. Daarnaast betaalt de overheid het leeuwedeel van de medische zorg voor ruim 100.000 "min- en onvermogenden' en voor de circa 50.000 bewoners van het binnenland. Eerste hulp is gratis, ambulancekosten worden wel in rekening gebracht maar vrijwel nooit betaald. Ten slotte subsidieerde de overheid jarenlang de kosten van medische hulp in het buitenland.

Door die luxe situatie kwam de gezondheidszorg in de problemen toen Suriname halverwege de jaren tachtig, na het stopzetten van de Nederlandse ontwikkelingshulp, het instorten van de bauxietmarkt en het plunderen van de staatskas door de militairen, in een economische crisis belandde. De regering-Venetiaan heeft een aarzelend begin gemaakt met hervorming van de gezondheidszorg. Subsidies zullen worden geschrapt, medische instellingen zullen kostendekkend moeten gaan draaien, in het ruime aanbod aan geneesmiddelen - die moeten worden gemporteerd - zal drastisch worden gesnoeid. De twee particuliere ziekenhuizen in Paramaribo - het Sint Vincentius ziekenhuis en het Diakonessenhuis - verhoogden begin deze maand hun tarieven al met ruim honderd procent, tot 550 gulden per dag voor de derde klasse. Verwacht wordt dat de twee staatsziekenhuizen (130 gulden per dag, derde klasse. Reële kosten: 900 gulden) zullen volgen. Of dat veel zal helpen is nog maar de vraag: verreweg de meeste patiënten krijgen de kosten volledig vergoed.

Ten minste zo belangrijk als kostenbeheersing is een reorganisatie van het management in de gezondheidszorg. Het AZ moet worden hervormd van een semi-overheidsbedrijf tot een zelfstandige onderneming. De Nederlandse missie adviseerde daartoe een interim-management te benoemen, samengesteld door een “internationaal gerenommeerd managementbureau” waarbij “zoveel mogelijk” Surinaamse deskundigheid bij betrokken zou moeten worden. In juni zou dit team moeten worden aangesteld, zodat in september met de reorganisatie van het ziekenhuis kon worden begonnen.

De aanbevelingen hebben een storm van kritiek doen opsteken. De medische staf onderschreef de diagnose van de Nederlandse missie, maar verwierp de suggestie een “buitenlands” (lees: Nederlands) organisatieadviesbureau in te schakelen. De voorkeur diende uit te gaan naar een Surinaams bureau. Haast is geboden, had de missie gezegd, maar er is nog geen besluit genomen.