De dilemma's van de crisispsychiatrie; Niet de voordeur van de psychiatrie is verstopt, maar de achterdeur staat open

De "rijdende psychiater' is de brandweer van de psychiatrie. De dienst rukt meer dan drieduizend keer per jaar uit, op verzoek van de politie of de huisarts. Met een koffer vol pillen, spuiten en papieren stappen de jonge assistent-psychiaters in een taxi of een auto van de GG & GD. Ze kijken of iemand gestoord is of gewoon vervelend; droevig, boos, eng of gierend gek. Het 63 jaar oude instituut, sinds vijf jaar centrale Riagg-dienst (CRD) geheten, moet volgens de plannen worden opgeheven en gespreid over de hoofdstedelijke regio's. Nemen de Amsterdamse crisis-instanties gevaarlijke gekken niet snel genoeg op?

De straat wordt leger, de hemel donker. Nog steeds is de ambulance niet gekomen. Op de balkons wordt gefluisterd. ""Ophangen moet je ze'', zegt een man tegen zijn Marokkaanse buurvrouw. Dorien zucht. Het is een van de moeilijkste dingen van haar werk, vertelt ze. Niet zozeer de verantwoording van het beslissen, maar het uitleggen aan anderen van het waarom. De agenten die met haar mee waren gegaan hadden hun mening over "de psychiatertjes' niet onder stoelen of banken gestoken: ""Soms denk je: jemig kremig dat ze dit weer laten rondlopen!'', had de jongste gezegd terwijl hij zijn Golfje door het verkeer laveerde.

Sinds zes maanden werkt Dorien als rijdend psychiater. In het begin stond ze nog wel te "stuntelen' als ze op het politiebureau moest uitleggen waarom ze een bepaalde man of vrouw niet wilde opnemen. ""Dan zei ik: "ik kan het niet uitleggen, maar ik doe niks'.'' Nu gaat het haar stukken beter af. Ze vertelt de agenten bijvoorbeeld dat het net als met kinderen is. Iemand gaat steeds een stapje verder. ""Voor veel mensen werkt een opname in een psychiatrische inrichting tegendraads. Wat ze in hun gewone leven hebben, krijgen ze in het kwadraat terug. Een opname betekent dat je hun eigen verantwoording overneemt. Terwijl die mensen juist met hun eigen daden moeten worden geconfronteerd.''

Totaal anders ligt het wanneer iemand een ziekte heeft waardoor hij of zij niet verantwoordelijk kàn zijn. ""Iemand in een acute psychose weet echt niet wat hij doet. Die ziet een gebouw aan voor een legerbataljon, of een fietser voor een giraffe.'' Deze mensen moet je tegen zichzelf beschermen. Je neemt ze op en probeert ze met medicijnen weer in balans te krijgen. ""De moeilijkheid is'', zegt Dorien, ""dat elk vervelend of afwijkend gedrag al snel als een ziekte wordt gezien. Ook door die mensen zelf.''

Eindelijk is de ambulance gekomen. Samen met de verplegers en de agenten gaat Dorien de trap op. Op haar instructie hadden de agenten een koevoet meegenomen. Daarmee wordt nu de deur opengebroken. De slagen klinken hol door de straat. De balkons verstommen. Op de pui is met zwarte letters de cryptische tekst "Y heat you' gespoten. Daarboven, nog steeds onbeweeglijk, het silhouet van de vrouw.

Langzaam begint er iets te dagen. ""Het gaat om het verschil tussen maf zijn en maf doen'', had Dorien gezegd. Dit moet de verklaring zijn van het schijnbaar onbegrijpelijke gezoek bij elke vergadering naar de vraag of iemand een "psychose' of een "persoonlijkheidsstoornis' heeft. ""Het is echt ongelofelijk wat er bij de politie passeert'', had Beerthuis gezegd. Zijn rustige toon was plots verdwenen. ""Mensen die elkaar met messen en vorken te lijf gaan. Het lijkt godbetere 't wel een legitimatie: als je jezelf maar als "gek' presenteert mag je blijkbaar alles doen.''

Die nacht gaat de pieper nog een paar keer af. Met GG & GD-chauffeur Jan gaat het door de straten. Al vijfentwintig jaar chauffeert hij de psychiaters van de CRD door de stad. ""Een heerlijk vak'', zegt Jan. ""Lekker veel spanning. En een beetje met mensen klooien.'' Soms zit er wel eens een agressieve bult tussen. Maar daarvoor traint hij in het sportpaleis. De rit gaat naar de Watergraafsmeer voor een bezoek aan een 64-jarige man die al een paar weken vreemd doet. Assistent Chaim Huyser vindt het een raar verhaal: een getrouwde man die altijd evenwichtig is geweest, en opeens door een financiële transactie uit balans raakt. ""Zeg, vond die transactie in het casino plaats?'', vraagt Jan. Met een scherpe draai parkeert hij zijn auto voor het huis. Bulderend stapt hij uit. ""Nou psych, dan gaan we dat varkentje maar eens wassen.''

De man die ze aantreffen tussen de geborduurde koeien blijkt inderdaad uit balans. Zwaaiend staat hij op zijn benen. ""Gaan we schaatsen?'', vraagt Jan en drukt de man weer in zijn stoel. Na een lang gesprek met zijn vrouw besluit Chaim hem op te nemen. Hij vermoedt dat er "iets neurologisch' aan de hand is. De vrouw pakt de hand van haar echtgenoot. Tranen stromen uit haar ogen, terwijl de zijne in het oneindige zwemmen. ""Kom, doe je trui aan'', zegt ze bezorgd. Wankelend staat de man op uit zijn stoel en doet zijn broek naar beneden. ""Doe je trui maar weer uit'', zegt Jan vanuit de andere hoek van de kamer. De man knijpt zijn ogen samen alsof hij wat hoort. Dan trekt hij gehoorzaam zijn broek weer naar boven.

""Dit kom je toch weinig tegen'', zegt Chaim als we weer naar het politiebureau rijden voor de volgende patiënt. ""Zo'n heel vers iemand die je zo gek ziet doen.'' Het merendeel van de klanten heeft een lange staat van dienst. Meer dan de helft is al eens opgenomen geweest. Tachtig procent van de mensen heeft eerder, en meestal langdurig contact gehad met de psychiatrie. ""Waar wij mee te maken krijgen is de groep die door de mazen van het net is gevallen'', zegt Chaim. Soms wordt hij er wel eens moedeloos van. Al die mislukte behandelingen. Het aanmodderen in dat grijze gebied tussen politie, justitie en psychiatrie. Aan de ene kant zijn er volgens Chaim de mensen die geholpen zouden zijn met kortdurende opnamen, maar voor wie de wet dat niet toestaat. Aan de andere kant is er die hele grote groep waar niemand meer raad mee weet. Mensen die op straat belanden, de chronisch gestoorden, de verslaafden die ook nog psychotisch zijn, de schizofrenen die drinken.

""Mensen die nooit van hun leven een boodschap gedaan hebben. Nooit een boterham met hagelslag voor zichzelf hebben klaargemaakt.'' Die mensen passen niet in de beschermd wonen-projecten. En de chronische afdelingen van de psychiatrische ziekenhuizen zijn dichtgeslibt met gezondere mensen dan waarvoor ze bedoeld zijn. De lastige mensen, de onzelfstandigen, de verslaafden komen op straat terecht. ""Het probleem is niet dat er te weinig plaatsen zijn om mensen op te nemen'', vat Chaim Huyser samen. ""Het probleem is dat de zwakke broeders er weer uitvallen. Niet de voordeur van de psychiatrie zit verstopt. Maar de achterdeur staat open.''

Al meer dan vier jaar begeleidt Rokus Loopik een groep van deze "zwakke broeders en zusters' die door de labyrinten van Amsterdam zwerven. Omdat ze geen vaste verblijfplaats hebben vallen ze onder de CRD. Het zou wel een vrolijk gezicht zijn, zegt Rokus, om deze mensen onder de kunstuitleen in wachtkamers van de RIAGG's te zien zitten. Gierend tussen de relatieproblemen of de gesofisticeerde gevallen van faalangst. Nee, zijn patiënten wonen op pleinen of in parken. Ze slapen op de stations, onder bruggen of in een particulier pension. Soms weet hij er eentje onder te brengen in een van de betere, gesubsidieerde pensions. ""Maar het duurt vaak maanden en soms jaren voordat je iemand kan motiveren een stap te zetten.''

Rokus is een modelhulpverlener. Dol op zijn werk en op zijn patiënten. Met een pakje sigaretten in de mouw van zijn t-shirt fietst hij door de stad. ""Kijk, daar loopt er weer een'', wijst hij. Een jonge man met vilten haren probeert de drukke Van Woustraat over te steken met zijn hoofd in zijn nek. Rokus heeft er een zevende zintuig voor. Die middag wil hij wat klanten bezoeken in de pensions. Zodra hij binnenkomt wordt hij aangeklampt. Een jongen met een verhaal over geld. Een vrouw op kaplaarzen roept: ""Vandaag geen bla bla.'' Rustig loopt hij door de donkere gangen, de geur van schoonmaakmiddel en ouwe rook. Voor een gele deur blijft hij staan. Hij klopt maar er komt geen antwoord. Langzaam duwt hij de deur open. Op bed zit een jonge vrouw met een grote spiegel voor zich. Blikkerende sierraden, een kanten jurk en op haar hoofd een gigantische zwarte pruik. Als de koningin van Sheba zit ze tussen de vodden waarmee ze het kamertje tot de nok toe heeft volgestampt. Haar ogen zijn omlijnd met zwarte potloodranden, waarmee ze ook haar lippen gedaan heeft. Rokus groet haar en vraagt hoe het gaat. ""Prince zijn big dig van meisje is poe'', zegt ze terwijl ze haar ogen geen moment van haar spiegelbeeld afwendt. ""Je moet je medicijnen komen halen'', zegt Rokus. Met haar ogen nog steeds op de spiegel draait ze langzaam haar hoofd heen en weer.

""Die komt wel'', zegt Rokus als hij weer op zijn fiets stapt. Misschien over één, misschien over zes weken. ""Maar komen doet ze altijd.'' Met veel moeite heeft hij haar zover gekregen dat ze in het pension ging wonen. Daarvoor zwierf ze over straat. Ze werkt in de prostitutie en werd regelmatig verkracht. Ook in het pension heeft ze geen begeleiding, geen bescherming. ""Maar ik weet nu tenminste waar ik haar kan vinden.''

De tocht gaat verder. Nog meer zwervers, nog meer pensions. ""De groep van 250 mensen die wij begeleiden is maar het topje van de ijsberg'', zegt Rokus. Een plein vol kratten, auto-onderdelen, poppekoppen, lege flessen. Daar, onder de Amsterdamse hemel, woont Johnny. Als de baas van een dure antiekzaak waakt Johnny over zijn bezit. Zwaaiend met zijn bierfles onderhoudt hij de voorbijgangers. ""Als Juliana in Den Haag niet verandert, dan komt Bruynzeel uw kapitalen jatten'', waarschuwt hij de vrouwen die met zware boodschappentassen voorbij komen. Zijn haar staat in een stijve stralen om zijn gezicht. De lieveheersbeestjes op zijn sokken zijn allang niet meer rood. Samen met een agent van de milieupolitie gaat Rokus bij Johnny op bezoek. De deelraad wil hem weghebben. Zijn verzameldrift zou voor overlast zorgen. ""Van mij mag ie blijven hoor'', had de agent gezegd. ""Hij hoort al jaren bij de buurt en doet niemand kwaad. Als hij zijn spullen onder een zeiltje stopt, zijn wij allang tevreden.''

Rokus geeft Johnny een hand. ""Hoe gaat het?'' Opgetogen vertelt Johnny hoe hij rijkdommen over de hele wereld bezit. In Suriname en zelfs in Rusland. ""Ik ben een ondernemer in blikken, en heb mijn eigen export'', vertelt hij. Of hij in een pension wil wonen om wat tot rust te komen? Johnny gaat zitten en kijkt Rokus aan. ""Nee', zegt hij. ""Ik wil mijn eigen kasteel. Het Paleis op de Dam, en niets minder.''

Een week later heeft zich op Johnny's pleintje een vreemde menigte verzameld. De rechter is er en Rokus en psychiater Rübsaam die een krankzinnigheidsverklaring heeft geschreven. Politiebusjes cirkelen rond. Gejaagd drinkt Johnny zijn vroege biertje. Zijn hoofd draait op zijn romp, als een vogel die voelt dat er een poes in de buurt is. ""Ik vind dit verschrikkelijk om te zien'', zegt de man van de bloemenstal en gooit een bos rozen op de toonbank. ""Ik ken Johnny al jaren. Ik hou gewoon van hem. Zakelijk gezien is het voor ons natuurlijk niet zo geweldig. Maar moeten ze nou juist hem opsluiten?''

Na een kort gesprek met Johnny, de advocaat en de psychiaters besluit de rechter opnieuw de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen.

""Je moet me niet molesteren'', had Johnny geroepen. ""Ik wil zelfs geen seks, dan moet je ook niet aan mijn persoontje komen!'' Het was een hele oploop geworden. Politieagenten, taxichauffeurs. De man van het café die een foto van Johnny boven zijn tap had hangen. Iedereen was er tegen geweest dat Johnny weg moest. Moest dit nou echt?

""Het is een soort misplaatste romantiek waardoor mensen denken dat hij erbij hoort'', zegt Rokus als hij weer naar de Spinozastraat terugfietst. Met een grote zakdoek gaat hij over zijn voorhoofd. ""De waarheid is dat hij niet anders kan leven dan op een hoop vuilnis met vliegen. Het leven dat hij leidt is een gevolg van zijn ziekte. Hoe kleurrijk Johnny ook mag zijn.''

Barbara Rossi hoorde toen ze het Prinzhorn-boek bekeek een zachte schreeuw. Zij dacht aan de grote afstand tussen de tekenaar en de denkbeeldige beschouwer in de buitenwereld en vermoedde dat er uit al die beelden toch de wens sprak dat de verborgen betekenis eens zou worden ontcijferd. Alleen als dat gebeurde zou de maker zijn onmiddellijke omgeving kunnen verlaten.