CARTOGRAAF

In de bespreking door Michiel Hegener van facsimile-uitgaven van zestiende-eeuwse kaarten van Jacob van Deventer in het Boekenbijvoegsel 10 juli jl. vallen onder de pakkende kop ""Cartograaf in dienst van de vijand'' verbazingwekende zinsneden te lezen als ""de Spaanse bezetter'', ""(Van Deventer) was een landverraaier'' (sic), ""argumenten... voor zijn onschuld'' en ""Van Deventer werkte voor de vijand''.

Afgezien van het feit dat - zoals ook in het artikel staat - Van Deventer al in 1555 met zijn stadsplattegronden begon, is het onzinnig om over deze tijd te schrijven in termen van bezetter, vijand of landverrader.

Spanje was geen bezetter; wel kan gezegd worden dat koning Filips II van Spanje tevens Heer van de Nederlanden was. Begrippen als "vijand' en "landverrader' suggereren een nationaal gevoel dat in de zestiende eeuw niet bestond. Evenmin bestond er tussen 1555-1575 een eensgezinde afkeer van het bestuur van Filips II. Zeker in de begintijd was de Opstand een zaak van een adellijke en burgerlijke elite, die zijn eigen positie bedreigd zag en gebruik maakte van bredere onlustgevoelens over de vervolgingen van protestanten, economische malaise en hoge voedselprijzen. Dat Van Deventer na de komst van Alva voor een moreel dilemma zou hebben gestaan (zoals Michiel Hegener suggereert) of hij wel met zijn kaarten kon doorgaan en dat hij misschien had moeten kiezen voor vernietiging van zijn werk, is een prachtig anachronisme en heeft niets met de werkelijkheid van die tijd te maken. In 1575 bleef de Opstand beperkt tot de gewesten Holland en Zeeland en zelfs daar waren de opstandelingen een minderheid. En ook al hadden ze de meerderheid, kiezen voor de Opstand of voor de Spaanse landsheer had weinig of niets met geweten of ethiek te maken.