Weer een mooie misser van WVC

Als het ministerie van WVC straks weer naar Den Haag verhuist, zullen de meest opvallende delen van zijn nieuwe huisvesting de gevels van de hoogbouw zijn. Ze zijn van veraf zichtbaar en het ministerie wordt daaraan "herkend'. Deze gevels zullen worden ontworpen door de Amerikaanse architect Michael Graves.

Gevels zijn een deel van de representatie van de instelling of het bedrijf dat er achter zit. Veel instellingen, bedrijven of ministeries kennen we alleen van de gevels en uit de krant. Centraal Beheer heeft jaren lang personeel geworven met een afbeelding van de gevels van het gebouw van Hertzberger aan de onderkant van de advertentie. Vooral als het gebouw een bestaand gebouw is (zoals bij WVC) en de gevels nieuw, is het duidelijk dat die gevels "iets te zeggen hebben'.

Vernieuwen van gevels is een heel gewone opdracht voor architecten. De Amsterdamse grachtengordel staat vol met gevels die in de achttiende eeuw voor de oudere huizen zijn opgetrokken. De architect Claude Perrault is beroemd geworden met zijn ontwerp voor de gevel van het (bestaande) Louvre. Rijksbouwmeester Bremer zette in 1939 een nieuwe gevel voor het gebouw van de Hoge Raad dat zijn voorganger Rose in 1861 had ontworpen.

Achter gevels ontworpen door een Amerikaanse architect mag je verwachten dat een sterk internationaal georiënteerd ministerie is gehuisvest. Het beleid van WVC is echter internationaal zeer terughoudend, zoals al vele malen in deze krant is betoogd en zoals de affaire met de Frankfurter Buchmesse nog eens heeft aangetoond.

In 1991 hebben de ministers Alders en d'Ancona de beleidsnota "Ruimte voor Architectuur' uitgebracht. De doelstelling daarvan was “het scheppen van gunstige voorwaarden voor de totstandkoming van architectonische kwaliteit”. WVC subsidieert het Architectuurinstituut in Rotterdam en heeft een "Stimuleringsfonds voor architectuur' ingesteld. Het zijn zeer lofwaardige initiatieven om de Nederlandse architectuur op een hoger plan te brengen.

De opdracht aan Michael Graves brengt onder meer de boodschap over dat die architectuur nog ver van dat hogere plan verwijderd is. Immers, net als de Hollandse Signaalindustrie of DAF meenden te mogen rekenen op een streepje vóór bij defensie-orders, denken de Nederlandse architecten dat zij mogen rekenen als eersten in aanmerking te komen voor de bouw van ministeries, gerechtshoven, gevangenissen en dergelijke. Als een niet-Nederlandse architect wordt gekozen, moet je daaruit concluderen dat geen Nederlander even goed was.

Precies 150 jaar geleden, in 1843, werd het bekroonde antwoord gepubliceerd van Daniël David Büchler (de eerste voorzitter van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, de voorganger van de BNA) op de in 1827 uitgeschreven prijsvraag: “Waarin ligt de reden van de weinige vorderingen der bouwkunst in ons vaderland in vergelijking met die, gemaakt bij andere volken; en welke zijn de middelen om ze bij ons op te voeren tot die hoogte, welke ons voegt naar den rang, welke wij bekleeden in het gebied der Kunsten?”

Toen was er voldoende reden voor een dergelijke bezorgdheid. Nederlandse architecten gingen in het buitenland studeren; de eerste professor in de architectuur in Nederland was de Duitser Gugel. Maar daar kwam na 1900 verandering in. Architecten als Berlage, De Klerk, Duiker, Bijvoet, van der Vlugt, Rietveld, Oud, van den Broek, Bakema, van Eyck, Hertzberger, Koolhaas, Coenen en Soeters hebben Nederland internationaal een uitstekende naam bezorgd. De prijsvraag van 1827 zou nu niet meer gehouden kunnen worden. Daardoor zendt de gevel van het vernieuwde gebouw van WVC de verkeerde boodschap uit.

Rijksbouwmeester Kees Rijnboutt voert een uiterst zorgvuldig beleid met zijn architectenkeuze, en dat onder aanzienlijk moeilijker omstandigheden dan zijn voorgangers. Door daarover regelmatig te rapporteren stelt hij zich bovendien kwetsbaar op. Echter, de keuze voor Graves van de projectontwikkelaar - op zichzelf voor een strikt particuliere opdrachtgever een alleszins te verdedigen keuze - is in dit geval tactloos, een onverdiend verwijt aan de Nederlandse architecten. Na de onnozele misser met het beeld van Jannis Kounellis, voor de nieuwbouw van de Staten-Generaal, had de minister deze tactloosheid bespaard kunnen blijven.