Waar is de moeder van Kwik, Kwek en Kwak? Marc Elliots omstreden biografie van Walt Disney

De precieze geboortedatum en -plaats van Walt Disney zijn nog steeds onzeker. Ook de schrijver Marc Eliot heeft die niet kunnen achterhalen in zijn vorige week verschenen, controversiële biografie "Walt Disney: Hollywood's Dark Prince'. Was Disney een geadopteerde bastaard? “De moederloosheid van de bewoners van Duckstad, stelt de meeste jonge lezers van Disney's vrolijke weekblad al drie generaties voor een raadsel.”

Walt Disney: Hollywood's Dark Prince. Door Marc Eliot. Uitg. Birch Lane Press. Prijs ƒ 49,15

In de tekenfilms van Walt Disney (1901-1966) is ouderschap zelden ongecompliceerd. We komen er boze stiefmoeders in tegen (Sneeuwwitje en Assepoester), substituut-moeders (Mary Poppins), gevangen moeders (Bambi en Dumbo), goede en slechte petemoeien (Doornroosje), geestelijke vaders (Pinocchio) en heel veel ooms. Voor een deel valt die thematiek te verklaren uit de diepste angsten van kinderen die een zwaar stempel drukken op klassieke sprookjes, evenals op bij voorbeeld de films van Steven Spielberg, de enige artistieke erfgenaam van Disney in Hollywood. Maar de moederloosheid van de bewoners van Duckstad, waar oma Duck nog het dichtst de normale nestwarmte benadert, stelt de meeste jonge lezers van Disney's vrolijke weekblad al drie generaties voor een raadsel.

De vorige week verschenen, controversiële biografie Walt Disney: Hollywood's Dark Prince van de hand van rockjournalist Marc Eliot werpt een prikkelend nieuw licht op de grootste kindervriend van deze eeuw. Toen oom Walt overleden was, circuleerde er volgens Eliot in zijn studio een naargeestige grap: hij zou zich hebben laten invriezen in een poging een warmer mens te worden.

Hoe smakeloos deze vorm van zwarte humor ook klinkt, er is een aantal gevolgtrekkingen uit te maken. De fundamentalistische conservatief Disney was inderdaad panisch voor de dood, die hij in zijn steeds frequentere depressies al jaren voorvoelde. Net als Howard Hughes, eveneens een in het conservatieve Amerikaanse "heartland' opgegroeide, excentrieke studiochef, getuigde Disney herhaaldelijk van zijn belangstelling voor experimenten met "cryogenics', het levend ingevroren worden. Bovenal geeft de anekdote aan hoe weinig geliefd de pater familias, die zijn medewerkers als zijn eigen kinderen beschouwde, in die kringen feitelijk was.

In 1949 draaide televisieproducent Stanley Myers in de Disney-studio de "hard boiled' politieserie Dragnet: heimelijk, want het imago van de familiefilmfabriek strookte niet met dat van de serie, maar geldnood brak wet. Myers vertelt aan Eliot dat bij zijn eerste ontmoeting met Disney deze er op stond niet met meneer te worden aangesproken: “Ik heb een beleid, Stanley. Ik laat iedereen hier mij Walt noemen, dat spaart me een salarisverhoging van vijf dollar uit.”

Dit beleid was niet altijd doelmatig geweest. In 1941, tijdens de produktie van Dumbo, brak er onder de Disney-animatoren een staking uit. De aanleiding was het door Walt betwiste recht op organisatie in een onafhankelijke vakbond, de zogenaamde Cartoonists Guild. Maar Eliot maakt duidelijk dat de oorzaken lagen in de autoritaire werkverhoudingen en het feit dat Disney zijn medewerkers zelden naamsvermelding gunde. Er is al vaak geschreven over het geringe aandeel van Disney in het eigenlijke tekenwerk; zoals bekend is zelfs Mickey Mouse grotendeels een creatie van Disney's oudste medewerker Ub Iwerks, met wie hij een levenslange haat-liefde-relatie onderhield. Eliot corrigeert dit beeld enigszins, door te wijzen op de, althans in de periode van de eerste lange tekenfilms (1937-42), inspirerende invloed van Disney, die bij voorbeeld de complete film Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen scène voor scène voorspeelde aan zijn "jongens'.

Wraak

De staking liep uit op een formele overwinning van de vakbond. Disney was er volgens Eliot zo door getraumatiseerd, dat hij de rest van zijn leven zou besteden aan wraak op de aanstichters en daardoor nauwelijks meer in staat was tot een creatieve bijdrage aan de films. Disney, die in dezelfde periode zijn beide ouders verloor, voelde zich nu verraden door zijn eigen filmfamilie. Om zich te wreken op wat hij zag als een joods-marxistische samenzwering, begon hij alle ex-stakers het leven zuur te maken. De actieleider Art Babbitt (die vorig jaar is overleden) werd ontslagen, zijn aandeel in de Disney-films (de eerste aanzet tot de figuur van Goofy, de stiefmoeder van Sneeuwwitje, de paddestoelendans in Fantasia) werd weggeretoucheerd uit de annalen. Maar ook buiten de Disney-studio ontdekten de voor communisten versleten ontslagen animatoren dat ze "persona non grata' waren geworden.

De wraak van Walt kreeg ook gestalte, zo toont Eliot aan met overdrukken van officiële documenten, door zijn werk als informant voor de FBI. Disney bezocht linksige meetings en rapporteerde de aanwezigheid van Hollywood-figuren aan de FBI-contactman in Los Angeles, en soms aan zijn persoonlijke vriend, FBI-chef Edgar J. Hoover. Ook in de ontketening van de heksenjacht van McCarthy en het zonder vorm van proces opstellen van de "zwarte lijst' in Hollywood aan het begin van de Koude Oorlog, speelde Disney een sleutelrol.

Dat hij omstreeks 1957 zelf onder verdenking van de FBI zou komen te staan, is een ironische speling van het lot. Toen Disney een aflevering van de "Mickey Mouse Club' in het FBI-hoofdkwartier wilde opnemen, werd de toestemming aanvankelijk getraineerd. Een overijverige ambtenaar had in het dossier ontdekt dat Disney bijeenkomsten van communistische mantelorganisaties bijgewoond had, zonder te weten dat zulks min of meer in opdracht gebeurd was. Vanaf dat moment schiep Disney er genoegen in FBI-agenten in komische speelfilms als onhandige stoethaspels voor te stellen.

Het duivelspact van Disney met de FBI had volgens Eliot nog een andere achtergrond. In de winter van 1940, zo bevestigen verschillende bronnen, brachten twee Amerikanen met grote hoeden en gestreepte pakken een bezoek aan het geboorteregister van het Zuidspaanse dorpje Mojacar, niet ver van Almeria. Ze vroegen daar naar het doopbewijs van een omstreeks 1890 geboren buitenechtelijk kind van ene Isabelle Zamora, die later met dat kind naar Californië vertrokken was. Eliot slaagde er niet in boven water te krijgen of dat doopbewijs gevonden is, en wat Walt Disney er precies mee te maken had. Wel vermeldt hij bijna terloops aan het eind van het hoofdstuk over "The Mojacar Connection' dat de ouders van Disney 35 jaar lang een Spaanse huishoudster uit Mojacar in dienst hadden en dat die na de dood van Walts vader door hem overgenomen was.

Een ander, beter gedocumenteerd stukje research van Eliot toont aan dat er in Chicago waar Disney meende geboren te zijn geen bewijsstuk voorhanden is van zijn geboorte op 5 december 1901. Dat kwam uit toen de 16-jarige Walt paperassen nodig had om zich in 1917 voor het leger aan te melden. Wel dook een geboortebewijs op van ene Walter Disney, gedateerd op 8 januari 1891.

Ook al moet het onmogelijk geacht worden dat Walt Disney tien jaar ouder was dan hij altijd gedacht had, het merkwaardige incident deed bij de jongen, die veelvuldig mishandeld was door zijn strenge vader Elias, de twijfel ontstaan of zijn ouders wel zijn ouders waren. Eliot suggereert dat Walt Disney in 1940 zijn diensten aanbood aan de FBI (die hard zocht naar een betrouwbare, niet-joodse contactman in het door progressieven en marxisten vergiftigde Hollywood) in ruil voor medewerking bij het oplossen van het raadsel van zijn herkomst. Het is zelfs denkbaar, nog steeds volgens Eliot, dat de twee FBI-mannen naar Spanje waren gegaan om daar valse bewijzen te planten van een geboorte, die gezien het jaartal niets met Walt Disney te maken kon hebben.

Puzzel

De hypothese dat Disney een geadopteerde bastaard was, althans dat hij vreesde dat te zijn, is fascinerend. Veel puzzelstukjes zouden er door op hun plaats vallen. Ook al was de nauwelijks verholen anti-semiet Disney een verklaard tegenstander van Freud, de angsten omtrent zijn valse ouders zouden veel verklaren, zowel wat de eerder genoemde thema's van zijn films als zijn neurotische persoonlijkheid betreft. De paranoia, de depressies, het obsessieve handenwassen, de tics, alle duistere kanten van Disney worden door zijn officieuze biograaf omstandig en overtuigend beschreven. Het is merkwaardig dat deze niet meer meldt over de feitelijke toedracht van het geboorteraadsel en bij voorbeeld geen woord wijdt aan de relatie van zijn hoofdpersoon tot die Spaanse huishoudster.

De 92-jarige weduwe van Walt, Lillian Bounds Disney, en haar dochter Diane Disney Miller, hebben zich bij het uitkomen van Eliots boek onmiddellijk in de felste bewoordingen gekeerd tegen de inhoud. Eliot wordt beschuldigd van "karaktermoord', terwijl er ook meer dan 150 aantoonbare feitelijke onjuistheden in het boek te vinden zouden zijn. Dat tweede verwijt is ernstiger dan het eerste; hoewel Eliots uitgever het manuscript door advocaten heeft laten uitpluizen op aanvechtbare feiten, maakt het boek hier en daar een behoorlijk slordige indruk.

De verdediging van Eliot tegen het verwijt dat hij het boek niet had mógen schrijven, klinkt futiel, maar is in wezen juist. Zoals een beschrijving van de psychose van Vincent van Gogh een beter licht werpt op zijn kunstenaarschap, zo kan de waardering voor Disney alleen maar toenemen, wanneer men precies weet welke demonen hij heeft moeten bevechten. Er spreekt uit deze biografie wel een op zichzelf genomen gerechtvaardigde visie op een van de belangrijkste figuren uit de filmgeschiedenis. De geringe generositeit van Disney jegens zijn medewerkers, zijn levenslange guerrilla tegen het Hollywood-establishment, de idealisering van een verloren jeugd in een fictief, zuiver en landelijk Amerika, de handigheid in het verkopen van die droom, en een paradoxale persoonlijkheid die Eliot beschrijft als bepaald door de woede van Donald Ducks driftleven en de blozende onschuld van Mickey Mouse's superego; al deze elementen dragen ongetwijfeld bij tot een beter begrip van de fascinerende invloed van Disney op onze cultuur. Disney staat in zekere zin voor het beste en het slechtste dat Amerika in deze eeuw heeft voortgebracht: een autocratisch, gevaarlijk betoverend geloof in kinderlijke dromen.

De erven-Disney, die met ijzeren vuist de nalatenschap hebben beheerd, uitgemolken en gecensureerd, hebben de schijn tegen zich. Wie zich in een van de Disney-attractieparken laat betoveren door de zorgvuldig gekoesterde en geretoucheerde droom van onschuld, blijft argwaan koesteren. Hoe kan het personeel van Euro Disney uit naam van een snordrager elke gezichtsbeharing contractueel verboden worden? Ook alcoholgebruik was in de Disney-studio niet toegestaan. De mededeling van Eliot dat oom Walts favoriete ontbijt bestond uit "verse doughnuts gedompeld in Scotch' valt dan in vruchtbare aarde.

Eliots biografie maakt vooral nieuwsgierig naar de films die het Disney-concern nooit meer opnieuw uitbrengt, ook al was de betrokkenheid van zijn oprichter daarbij veel groter dan gemiddeld. Zo wordt ons altijd de in Zuid-Amerika opgenomen, deels getekende film The Three Caballeros (1945) onthouden, onder andere omdat Donald Duck naar de smaak van de toenmalige critici onaanvaardbaar wellustig naar Spaanstalige schonen lonkt.

De grootste onthulling in "Walt Disney: Hollywood's Dark Prince' vond ik dat oom Walt in zijn hele loopbaan maar een enkele film zelf heeft geregisseerd. De korte cartoon The Golden Touch (1934) was een aflevering uit de serie "Silly Symphonies', gewijd aan koning Midas. Tot genoegen van sommige van zijn animatoren was Disney's regiedebuut een complete mislukking, die nooit meer de kluizen van het hoofdkwartier in Burbank heeft mogen verlaten. De koning, die tot zijn ontzetting merkt dat alles wat hij aanraakt in goud verandert, was in de visie van Walt Disney eigenlijk een gewone kerel. Om dat te bewijzen laat hij Midas zelfs een hamburger eten.