Twee columnisten

Mensen die de International Herald Tribune lezen kun je in twee categorieën verdelen: de liefhebbers van Art Buchwald en degenen die het meest met Russell Baker op hebben.

Buchwald komt uit de Washington Post; Baker die ook als "Observer' bekend staat uit de New York Times. De aanhangers van Buchwald zijn die van Baker niet vijandig gezind en het omgekeerde is evenmin het geval. De meesten, veronderstel ik, zullen elkaars voorkeur wel kunnen waarderen, maar het is niet anders: één is de beste hoewel de ander niet wordt onderschat.

Buchwald bedient zich over het algemeen van een techniek die onder de Nederlandse columnisten geen wortel heeft geschoten: de dialoog. Ik weet nog goed dat ik hem voor het eerst las. Het was de mislukte topconferentie van 1959 in Parijs. Eisenhower was er al, maar Chroesjtsjov kwam niet opdagen nadat de Russen de U-2, het spionagevliegtuig van Gary Powers hadden neergeschoten. "Met bedriegers praat ik niet,' zei hij. De woordvoerder van Eisenhower, James Hagerty, hield een persconferentie. Hagerty was geen snuggere man, maar deze keer overtrof hij alles wat hij op dat gebied ten beste had gegeven. Daarop schreef Buchwald een persiflage in dialoog die Hagerty vernietigde. Dat is het kenmerk van deze columnist: op zijn best heeft hij een directe kwaadaardigheid die hij in komische situaties verpakt, maar zelden is hij persoonlijk geraakt door de domheid van degene op wie hij mikt.

Russell Baker is omzichtiger, hij heeft een suave stijl, de muziek van zijn zin vloeit, nergens een staccato, hij is voorkomend jegens de lezer, een hoffelijk auteur. Als je stijl in gestalte kon weergeven zou ik me hem voorstellen als James Stewart in de rol die hem het best ligt: een heer van Amerikaanse snit. Hij deelt zijn kijk op het leven en de wereld met Buchwald, op zijn manier is hij even inventief, en voor de rest: een zee van verschil. Buchwald heeft het doel van de dag: de politicus, de gebeurtenis die hem belachelijk, absurd, aanvalswaardig voorkomt en de volgende dag is het iets of iemand anders. De meeste columns van Russell zijn niet polemisch; in zijn vijandschappen is hij persoonlijk en duurzaam. Op zijn onberispelijke manier heeft hij twaalf jaar eerst Reagan, (Mr Feelgood) en vervolgens Bush met zijn afkeer achtervolgd.

Russell moet intussen tegen de zeventig zijn. Wat hij aan ontwikkeling van de beschaving om zich heen ziet bevalt hem niet. Aan wie wel die omstreeks zo oud is? Hij maakt er geen geheim van, niet van het een noch van het ander. Nu wil het geval dat twee weken geleden een film met Clint Eastwood in première is gegaan: In the line of fire. Eastwood, intussen 63, speelt daarin een geheim agent die de moord op John Kennedy heeft meegemaakt en achtervolgd wordt door zijn geweten omdat hij zich toen niet tussen schutter en president heeft geworpen. Dan wordt er een complot tegen de president van nu ontdekt wat de held de kans geeft met zichzelf in het reine te komen. Hij moet zich veel moeite getroosten voor het goed afloopt - hard lopen, snel schieten - en het is hem aan te zien dat hij niet meer in de conditie van Dirty Harry of The Good, the Bad and the Ugly is.

Over deze rol is nu een merkwaardige, niet duidelijk uitgesproken controverse ontstaan. In de New Yorker, het onverminderd interessante weekblad dat tegenwoordig onder leiding van een betrekkelijk jonge dame staat, wordt de film besproken door een andere dame die niet nalaat, per alinea een à twee keer te vermelden dat Eastwood er intussen verdrietig aan toe is 'in de schemering van zijn late middelbare leeftijd', hoewel ze de film op zichzelf niet slecht vindt. De recensie is een voorbeeld van hoe je door lof je haat kunt luchten.

In de Times wijdt Baker er een stukje aan: "Sly Stallone, Arny Schwarzenegger, Spielbergosaurus Rex met spieren, even huiveringwekkend als Sly's borstpartij en Arnie's biceps - wie zit erop te wachten? Ik niet.' En wat volgt laat ik onvertaald uit vrees het anders te bederven. "Not as long as there's a lean, squinty old gent with wrinkles all over his face and eyes full of memory and pain and a smile that can charm the handcuffs and service revolver right of a beautiful lady cop. ( - ) I'm talking, of course, about Clint Eastwood, whose new movie is the greatest boon to the aging American male since Medicare, Geritol and Grecian Formula combined.'

Hier gaapt de cultuurkloof tussen de generaties. Ik moet zeggen: ik wen ook niet aan die helden die in zwembroek, met een snelvuurkanon onder de arm, of juist uit een met DNA behandeld voorwereldlijk ei tevoorschijn gekomen, over het witte doek springen en daarbij geen verstandig woord hoeven te zeggen omdat het publiek daar zijn geld niet voor heeft betaald maar integendeel, gekomen is voor zoveel mogelijk kogelregen en brullen en bijten.

Ik twijfel er niet aan dat Buchwald van hetzelfde onderwerp ook een mooie column had gemaakt, maar na deze te hebben gelezen was ik er meer dan ooit van overtuigd dat ik bij de Russell-mensen hoor.