Twee blauwe eieren achter een bril; Schrijversportretten in het Letterkundig Museum

Aanvankelijk was het Letterkundig Museum in Den Haag geheel op manuscripten en boeken gericht. Maar de laatste jaren worden er bewust geschilderde schrijversportretten aangekocht. “We mogen zo langzamerhand wel oppassen dat de beeldende kunst niet de overhand krijgt,” zegt museummedewerker Gerrit Jan Slijkhuis, wiens vertrek aanleiding was voor een tentoonstelling van schrijversportretten.

Van Jan Veth tot Herman Gordijn. Portretten van schrijvers 1880-1980. Letterkundig Museum, Den Haag, tot 26 sept.

Idem: vaste collectie.

Pierre H. Dubois e.a.: In zijn soort een mooi werk. Schrijversportretten in het Letterkundig Museum. Uitg. Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Prijs fl.34,90.

Er zijn veel manieren om schilderijen te ordenen: op schilder, op stijl, op periode en op onderwerp. Maar aan de tentoonstelling "Van Jan Veth tot Herman Gordijn' die tot eind september in het Letterkundig Museum is te zien, ligt een wat minder gangbaar beginsel ten grondslag. Op de tentoonstelling hangen alleen portretten van schrijvers en dichters. Het merkwaardige aan deze schilderijen en tekeningen is dat je, afgaande op het uiterlijk, niet kunt zien waar het de inrichters om te doen is geweest. Een van de geportretteerden, de schrijver J.W.F. Werumeus Buning, houdt weliswaar een ganzeveer in zijn hand op een mooi doek van Eppo Doeve, maar daar blijft het bij. Wie argeloos de tentoonstelling binnenloopt, ziet alleen een bonte verzameling mannen en vrouwen in alle mogelijke stijlen en houdingen.

“Als je niet leest, zal deze tentoonstelling je inderdaad weinig zeggen,” zegt Erna Staal die de literaire portrettengalerij uit allerlei hoeken en gaten bijeen heeft gebracht. “Van het publiek dat hier komt wordt op zijn minst enige voorkennis verwacht.”

Aanleiding voor de tentoonstelling is het afscheid van Gerrit Jan Slijkhuis als hoofd van de iconografische afdeling van het Letterkundig Museum. De 65-jarige Slijkhuis is de laatste jaren verantwoordelijk geweest voor de afbeeldingen die het museum van schrijvers heeft verzameld. Om zijn vertrek extra luister bij te zetten wordt nu door zijn opvolgers een indruk gegeven van alles wat hij (nog) niet heeft kunnen binnen halen. Medewerkers van het museum schatten ongeveer de helft van alles wat er in openbare instellingen aan schrijversportretten aanwezig is nu in eigendom of in bruikleen te hebben. De andere helft is er voor een deel nu tijdelijk te zien.

Een hoogtepunt op de tentoonstelling is, naast de grote collectie grafiek uit eigen bezit, voor velen waarschijnlijk het curieuze portret dat de Utrechtse surrealist J.H. Moesman schilderde van de dichter en criticus Gabriel Smit. Het is een schilderij dat vooral uit achtergrond bestaat: heuvels, een watervlakte, en links een onhandig grote koffieboon. Van de dichter Smit zien we niet veel meer dan een stuk bril en een klein stukje gezicht. Toch heeft hij karakter. Hij krijgt dat door twee zeer vreemde ogen, twee lichtblauwe eieren die achter zijn bril als zeilbootjes over het water scheren.

Een ander opvallend schilderij is het portret dat Herman Gordijn in 1970 van Mary Dorna maakte. Het laat een schrijfster in haar nadagen zien, weggezakt in een hoek van het schilderij, met een hand vol ringen.

Het opzetten van een dergelijke tentoonstelling was uiteraard niet eenvoudig. Bij haar voorbereidingen heeft Erna Staal een zoektocht ondernomen langs diverse openbare en particuliere collecties. Een probleem daarbij was dat schrijvers nooit als zodanig in catalogi voorkomen. Voor schrijvers die, zoals Geerten Gossaert, tevens hoogleraar waren, kon ze terecht bij enkele universiteitsmusea. Een enkel museum, zoals het Haagse Gemeentemuseum, had een ingang op portretten. “Voor de rest was het een zaak van heel veel bellen en kijken.”

Tekst

Als ik op een stille zondagmiddag met de vertrekkende Gerrit Jan Slijkhuis door het kolossale museum loop, vertelt hij hoe de door hem beheerde afdeling de laatste jaren in belang is toegenomen. “We mogen zo langzamerhand wel oppassen dat de beeldende kunst niet de overhand krijgt. Het gaat hier uiteindelijk om de tekst.” Hij herinnert zich dat het museum aanvankelijk geheel op manuscripten en boeken was gericht. Alleen nu en dan kwam er met een nalatenschap wel eens een enkel schrijversportret binnen. De laatste jaren wordt er op het gebied van de portretten echter een bewust aankoopbeleid gevolgd. “Het museum bevindt zich nu op het punt dat de schilderijen- en beeldencollectie representatief begint te worden.” Slijkhuis heeft de indruk dat de verhuizing van het museum van de Juffrouw Idastraat naar het complex bij de Koninklijke Bibliotheek bij de verandering een belangrijke rol heeft gespeeld. “We zijn nu aan het gebouw verplicht om er iets mee te doen.” Hij wijst aan wat er recent verworven is. Het beeld van het gelauwerde hoofd van Harry Mulisch dat nu op de tweede verdieping in een tempeltje van piepschuim staat opgesteld, werd eind vorig jaar met steun van enkele sponsors aangeschaft. Van Vestdijk werd zojuist een replica verworven van het bronzen borstbeeld dat Pieter d'Hont in 1971 van hem maakte. Na de tentoonstelling van Leo Vroman werden twee hoge beelden van Nel Bannier aan het museum nagelaten. En ook het opvallende portret dat Erik van Straten in 1986 van W.F. Hermans schilderde, is zeer recent in bruikleen verworven. De ontstaansgeschiedenis van dit meedogenloze schilderij wordt door de journalist Hans van Straten beschreven in In zijn soort een mooi werk, een bundel opstellen die het museum tegelijkertijd heeft uitgebracht. De opdracht tot het maken van het portret is zeven jaar geleden gegeven door een paar vrienden van de schrijver, ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag. Nadat het doek echter een paar jaar bij Hermans in huis had gehangen, wilde hij er wel eens van af. Volgens Slijkhuis zou de schrijver zich steeds meer aan de dreigend naar voren hangende rechterarm zijn gaan storen. De schilder verdedigt zijn portret in de bundel met het argument dat hij een "gelijkend portret' had moeten maken. De vreselijke arm hoorde daar volgens hem bij. tk Ongelijk verdeeld Uit de lijsten die het Letterkundig Museum over het beschikbare beeldmateriaal heeft aangelegd blijkt dat de afbeeldingen van schrijvers zeer ongelijk zijn verdeeld. Hun aantal is ook niet altijd in overeenstemming met het belang van de afgebeelden. Zo zijn er zeer veel portretten bekend van Gerard den Brabander, maar dat komt doordat een schilder, Freek van den Berg, al heel lang door deze dichter wordt gefascineerd. Van andere schrijvers die minstens zo belangrijk zijn, is daarentegen geen enkel schilderij bekend. Zo is het museum nog steeds op zoek naar een behoorlijk portret van Hella S. Haasse, aan wie het museum dit najaar een overzichtstentoonstelling wijdt omdat de schrijfster 75 wordt. Ook de dichteres M. Vasalis ontbreekt in de literaire beeldengalerij. Vrouwelijke schrijvers zijn naar de indruk van Slijkhuis veel minder geportretteerd dan hun mannelijke collega's.

Slijkhuis denkt dat A. Roland Holst en Jan Greshoff op dit moment het best in het beeldarchief vertegenwoordigd zijn. Van Roland Holst, "van een rijke familie, dat merk je', zijn een kleine zeshonderd afbeeldingen in het museum, portretten gemaakt door Willink en Kees Verwey en foto's van goede beroepsfotografen. Van Greshoff zijn zelfs 800 afbeeldingen aanwezig. Slijkhuis: “Alles wat hij had, is hier gekomen, met kiekjes tot in de rolstoel aan toe”.

Streng

Schilders die veel schrijversportretten op hun naam blijken te hebben, zijn Paul Citroen en Kees Verwey. Paul Citroen maakte onder meer portretten van Anna Blaman en Aar van de Werfhorst. Van Kees Verwey hangen nu in het museum portretten van Godfried Bomans, Lodewijk van Deyssel, J.C. Bloem, Jan Engelman, Dirk Coster en J.B. Schuil. Dat deze portretten niet altijd even mooi zijn, zal niemand ontkennen. “Het zijn niet allemaal meesterwerken, wat we hebben”, schrijft directeur Anton Korteweg diplomatiek in het voorwoord bij de hierboven genoemde bundel. Maar ook: “Het moet niet te erg worden.”

Gerrit Jan Slijkhuis heeft de indruk dat er de laatste tijd niet veel goede portrettisten meer zijn die zich met schrijversportretten bezig houden. “Ik zou geen tekenaar meer weten die zoveel schrijvers tekent als Paul Citroen.” Het gebeurt ook nooit meer dat een ministerie opdracht geeft een schrijver bij zijn zestigste of zeventigste verjaardag te portretteren. Hoe meer behoefte er aan afbeeldingen komt, des te minder worden er gemaakt.

Ik vraag Slijkhuis wat hij zelf het mooiste schilderij van de vaste collectie vindt. Hij noemt het portret van Jef Last, gemaakt door de Rotterdamse onderwijzer P.A. Begeer. De linkse schrijver is afgebeeld met een schipperspet op, tegen een achtergrond van golven, punten, vierkanten en halve cirkels. Op zijn borst is de naam van Marx te lezen, in de linkerbovenhoek wordt naar Lenin verwezen. Slijkhuis: “Dat is zo apart. Dat heeft alle dertig jaar jaar dat ik hier werkte op mijn kamer gehangen.”

Ik vraag of hij heeft gemerkt dat er bepaalde houdingen zijn waarin schrijvers zich graag laten portetteren. Hij vertelt over de serie portretfoto's die Jutka Rona van W.F. Hermans heeft gemaakt. De schrijver staat er bij uitzondering vrolijk en ontspannen op. Maar toen hij ze gezien had liet hij telefonisch weten weten dat ze nooit openbaar mochten worden gemaakt. Daar heeft de fotografe zich aan gehouden. Sinds dat moment liggen de foto's ergens verzegeld in een kluis. Slijkhuis: “Hermans vond dat hij er niet op stond zoals hij vond dat hij moest overkomen. Hij vond dat hij er heel streng uit moest zien.”