Tranen in de wind; Melancholische motorverhalen

Vincent Denters (samenst.): De donderprofeet en ander motorverhalen. Uitg. De Bezige Bij, 255 blz. Prijs ƒ 22,50.

Nanda Meijnen e.a. (samenst.): Oerend hard. Snelle motorverhalen. Uitg. Novella, 120 blz. Prijs ƒ 14,90.

Het aantal motorfietsen in het verkeer blijft toenemen, maar dat kan van de motorfietsen in de literatuur niet worden gezegd. Het was voor de samenstellers van twee recente bundels met motorverhalen nog een hele opgave om genoeg stukken bij elkaar te sprokkelen. In De donderprofeet zijn er ruim 25 verzameld, in Oerend hard 9. Drie verhalen komen in beide bundels voor.

Ze variëren sterk in genre en lengte: we vinden dagboekaantekeningen en romanfragmenten, lange reisverhalen en korte notities. Soms rijdt er alleen maar een motor voorbij, zoals in "Het morele verval', waarin Bob den Uyl vertelt over zijn mislukte poging de Asser TT te verslaan. Zijn even geestige als humeurige stuk eindigt met de zin: "Niemand zal voortaan in mijn nabijheid het woord motorfiets mogen gebruiken.'

Het is niet het enige verhaal dat vanuit een buitenstaandersperspectief wordt verteld. Voor nogal wat schrijvers is een motorfiets een schrikaanjagend en ondoorgrondelijk geval, een machine die om raadselachtige redenen door een minnaar, buurman of vader gekoesterd wordt. In het speciaal voor de bundel Oerend Hard geschreven verhaal "Wraak' van Aafje Melgers (pseudoniem van Henk Lagerwaard) doet de vrouwelijke hoofdpersoon uit de doeken hoe ze haar motorminnende vriend een hak zet. Ze verdiept zich heimelijk in de techniek van zijn "glimmend, roodgespoten gevaarte van Japanse herkomst', maakt een paar vitale onderdelen onklaar en zo wordt haar ontrouwe vriend het mikpunt van spot van zijn motormakkers. Het is aardig gevonden, maar de onzinnige technische bijzonderheden zijn desastreus voor de plot van het verhaal. Een onjuiste afstelling van de carburateurs is niet met één blik vast te stellen, oliepompen zitten niet aan de buitenkant van het motorblok (maar er diep binnenin, het is er bovendien altijd maar één) en een oliefilter valt niet met blote handen te demonteren.

Motortechniek is voor meer auteurs een bron van wanhoop en onbegrip. In "De echte Harleyrijder huilt wel eens' van Tim Krabbé (dat in beide bundels voorkomt) tobt de hoofdpersoon met een voortdurend defect rakende Harley Davidson, Simon Carmiggelt moet zijn pas verworven motor elke dag "zeven minuten lang aantrappen, voor en aleer de motor bereid was met het rijden ernst te maken' en Marjan Berk vraagt een gevaarlijke Hell's Angel waarom het nou zo leuk is, dat motorrijden.

Op die vraag geeft Kees van Kooten, die voor De donderprofeet het verhaal "Motorhond' schreef, een aardig antwoord. Hij heeft in zijn leven zeven honden gehad, deelt hij mee, en een achtste hond wil hij niet meer. Hij heeft nu een motor, waarmee hij uit kan gaan, waartegen hij kan praten en die hij liefkozend op de flanken kan slaan. "Een motor is een hond die nooit dood hoeft'.

Met Van Kooten zijn we bijna bij het insidersperspectief beland, en daarmee bij de interessantste categorie. Het zijn de verhalen die de motorrijder eigenlijk van de literatuur verwacht, de woorden en de zinnen die klaarheid moeten scheppen in de aantrekkingskracht van het motorrijwiel. Die verhalen zijn vooral in De donderprofeet te vinden - dat toch al veel liefdevoller is samengesteld dan het haastige gelegenheidsprodukt dat Oerend Hard is. Tot de mooie bijdragen aan De donderprofeet behoren het stijlvolle gemijmer van A.F.Th. van der Heijden over een leren motorjas, het erotisch motorproza van André Pieyre de Mandiargues en een curieus verslag van een motortocht door Frankrijk uit 1922 van prof. E.C. van Leersum.

De donderprofeet verwijst naar een verhaal van de geleerde krijgsman T.E. Lawrence. Oorspronkelijk verscheen het in 1933 als een bijdrage aan het British Legion Journal. Lawrence beschrijft met aanstekelijk enthousiasme hoe hij op zijn Brough Superior in de Engelse heuvels de strijd aanbindt met een Bristol jachtvliegtuig. Lawrence wint. Wij, die weten dat hij twee jaar later op dezelfde motor zal verongelukken, kijken daar niet van op.

Ook een andere beroemde motordode komt een paar keer aan het woord: Jan Hanlo. Het zijn maar miniatuurtjes, die paar pagina's die van hem zijn opgenomen, maar of hij nu vertelt over het repareren van een benzinekraan of over die keer dat hij op zijn Vincent een auto met een gezinnetje erin voorbijreed, steeds weer zijn het juweeltjes van dromerig motorproza.

Schitterend is het Indische verhaal "Wharrrr - Wharrrr - Wharrrr!' uit Tjies van Vincent Mahieu. Al bij de eerste zin is de toon gezet: “In die tijd wist je niet waar je meer van hield, van je meisje of je motorfiets.” Zo gaat het verder, een weemoedige melange van tropennacht, liefde en gevaar. De stijl is roekeloos: “We daagden iedereen uit en voelden ons door iedereen getart. We schilderden op ons achterspatbord uitdagingen als "Excuse my dust', of maakten er een gewoonte van een andere motorrijder bij het passeren de opgeheven hand te laten zien en dan net te doen of we een veertje van de handpalm wegbliezen: "Ik bláás je!' ” Maar de melancholie overheerst - zoals wanneer de held met een meisje meegaat, haar in bed legt en dan toch weer op zijn Raleigh klimt. “En ik stapte op mijn motorfiets en maakte hem wakker met een trap en scheurde hem de kampong uit en de straat op. (-) De wind trok mijn wangen naar achter tot een hondse lach en perste de tranen uit mijn ogen.” De echte motorrijder is een gevoelsmens.