Theoretische essays van Ernst van Alphen; Lezen is moeilijk

Ernst van Alphen: De toekomst der herinnering. Essays over moderne Nederlandse literatuur. Uitg. Van Gennep, 240 blz. Prijs ƒ 39,50.

Wie zich door de achterflap van De toekomst der herinnering laat misleiden, zou kunnen denken dat deze bundel een poging is de Neerlandistiek weer aansluiting te geven bij wat destijds in het tijdschrift Merlyn werd ondernomen. Dat zou een reden tot enthousiasme zijn. Naast de historische benadering van de literatuur is er zeker plaats voor het zorgvuldige en nuchtere lezen, zoals bijvoorbeeld Jesserun d'Oliveira dat deed in zijn Vondsten en bevindingen. Zijn rekenschap afleggen van ervaringen met literatuur had onder meer het voordeel dat het een rationele benadering van het begrip kwaliteit mogelijk maakte.

In de inleiding tot de bundel van Van Alphen wordt echter al snel duidelijk dat het de auteur daar niet om te doen is. Integendeel. Hier klinkt niet de nuchterheid van de buitenstaander, maar brooddronkenheid van de professional. Hier is niet een jurist als Jesserun d'Oliveira aan het woord, maar iemand die "beroepsmatig' leest, niet de helderheid van een voor allen toegankelijke lectuur, maar de "problematisering van teksten'.

De inleiding is een pleidooi voor een grotere vertrouwdheid van de literatuur met filosofische en theoretische vraagstellingen. Als voorbeeld wordt daarbij Frankrijk genoemd waar de filosofie een vast onderdeel is in het voortgezet onderwijs, en waar de romanistiek een criticus als Roland Barthes heeft voortgebracht. Iemand met zo'n profiel, zo meent Van Alphen, zou in Nederland ondenkbaar zijn.

Dat lijkt me niet waar. Fens, Goedegebuure, Peeters zijn allemaal professor, theoreticus en criticus tegelijk, zonder dat ik klachten heb vernomen. Ze zullen wel niet de juiste "theorie' aanhangen, maar dat is een tweede.

Het belangrijkste is dat Van Alphen in de inleiding de historische benadering van literatuur op gezag van literatuurwetenschappers als De Man en Culler als een vorm van naviteit terzijde schuift. De historische context, zo schrijft hij, is evenzeer een tekst als de tekst die zij tot verklaring dient, is evenzeer "de constructie van een interpretatie'.

Maar dat weten we natuurlijk al een paar eeuwen. Het heeft ook geen consequenties voor wat Van Alphen verder schijft. Eerst ranselt hij dit oude paard de stal uit om de o zo complexe samenhang van text en context, van de wisselwerking ertussen uit te komen hinniken, om hem daarna weer de stal in te laten hobbelen, zodat hij kan doen wat er altijd is gedaan. Ook Van Alpen kiest een context en verklaart er lustig op los. Het enige is dat het bij hem geen context meer heet, maar kader. En door het woord "inkaderen' wordt de gekunsteldheid van dit begrip duidelijk. Een kader is immers niet vanzelfsprekend, het wordt aangebracht.

Wat Van Alphen in zijn boek doet is steeds een of ander theoretisch kader kiezen en daarbij uitleggen waarom. Soms zijn het maatschappelijke kaders, zoals homofobie, antisemitisme of racisme in stukken over Kellendonk, Boutens en Helman. Dan weer leest hij het werk van Armando met behulp van de semiotiek of dat van Brakman of Dermoût met behulp van de psychoanalyse.

Het zal duidelijk zijn dat dit soort lectuur nogal vermoeiend is. De ernst van het vak brengt ook met zich mee dat lezen als iets moeilijks en paradoxaals wordt voorgesteld. Juist als allegorie, zo schrijft Van Alphen bijvoorbeeld, is de roman Mystiek lichaam de ontmaskering van de allegorie. Juist omdat het mislukt is, is het werk van Armando zo geslaagd. Juist als postmoderne roman, waarin, zoals men weet elke identiteit vergruizeld wordt, is de roman Een weekend in Oostende zo'n geslaagde poging tot behoud van de eigen identiteit.

Soms komt zijn benadering vooral neer op het hogere kwartetten. Is Hermans nu een modernistisch, een surrealistisch of een postmodern auteur? En hoe staat het met Brakman, realist of postmodernist? Volgens Van Alphen doet Brakman "een uiterst boeiende duit in het postmoderne zakje' en behelzen de fotocollages van Hermans "een scheur in zijn surrealistische poëtica'.