Sjostakowitsj burlesk luchtig door pianiste Nikolajeva vertolkt

Serie Zomerconcerten. Kamerorkest van Litouwen o.l.v. Saulius Sondeckis met Tatjana Nikolajeva piano. Werken van Arenski, Sjostakowitsj en Tsjaikowski. Gehoord 22/7 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4 2/9.

Dmitri Sjostakowitsj schreef vijftien symfonieën en vijftien strijkkwartetten, overwegend ernstige muziek, waarin de baldadige aspecten niet zonder kramp en bijtend sarcasme ook al tot weinig ontspanning bijdragen. Over zijn beide pianoconcerten was hij niet tevreden. Terugblikkend op het Eerste Pianoconcert in c opus 35 uit 1933 stelde hij een kwart eeuw later in een vraaggesprek: “Ik kan dat werk moeilijk een van mijn beste composities noemen.” En over het Tweede Pianoconcert meldde hij zijn leerling Edison Denisov: “Zojuist voltooide ik een pianoconcert zonder enige artistieke of idealistische waarde.” Maar dus ook zonder pretenties!

Grand old lady Tatjana Nikolajeva die het geheim van de eeuwige jeugd kent en voor wie Sjostakowitsj in drie dagen tijds zijn 24 Preludes opus 34 componeerde, vertolkte gisteravond in het Concertgebouw het pianoconcert opus 35 dat vier maanden later werd voltooid. Zij is geheel en al met deze stijl vergroeid en doseert de burleske omweggetjes naar Beethoven en Haydn, de brutale toccatastijl en beukende basnoten met een luchtig soort lef, alleen al die felle "ping' waarmee zij het Largo van een uitroepteken voorzag sprak boekdelen.

Het kan allemaal minder burlesk dan wel demonischer en bijteriger, ook zwaarder op de hand zodat de vertrouwde Sjostakowitsj toch nog enigszins in zicht raakte, maar ik viel voor deze sprankelende nonchalance. Ook kennelijk het publiek, dat een bissering van de Finale afdwong nog eens gevolgd door twee toegiften uit Sjostakowitsj Poppendansen.

Het Kamerorkest van Litouwen volgde met respect en trompettist Sergej Owtsjnicow toonde dat zelfs te veel, want Sjostakowitsj is hier duidelijk in een circusstemming, trapt tegen alle mogelijke heilige huisjes, al is hij dan nu zelf zo'n heilige geworden.

Hield dirigent Saulius Sondeckis zijn strijkers in Arensky's Variaties opus 35a nog kort en klonk het hier en daar wat schril, in Tsjaikowsky's Serenade bloeide de muziek vrijelijk op, met als gevolg reeds applaus na het eerste deel. Sondeckis trekt meer krullen dan dat hij de maat slaat, streeft naar een elegante en zwierige toets: zomeravondstijl zullen we maar zeggen...