Protestants en rooms denken

In september zal het twintig jaar geleden zijn dat in Chili het regime van Salvador Allende omvergeworpen werd door generaal Pinochet. Een socialistisch experiment werd vervangen door een rechts-autoritair schrikbewind. Een traumatische gebeurtenis voor links overal - en niet het minst in Nederland, waar zojuist het kabinet-Den Uyl aangetreden was.

Die schok werkt nog altijd na. Dat is bijvoorbeeld te merken aan een artikeltje van H.M. de Lange in Hervormd Nederland van 17 juli. De paus heeft onlangs Pinochet in hartelijke bewoordingen gelukgewenst met zijn gouden huwelijksfeest. De Lange vindt dat “een dreunende klap in het gezicht van allen die onder Pinochets verantwoordelijkheid gemarteld zijn en van de nabestaanden van onder zijn regime om het leven gebrachten”.

Ja, De Lange vindt het pauselijke telegram een bevestiging van het voor hem “geheel onbegrijpelijke optreden van de paus om met deze man op één balkon te staan in 1987. Dan zien we de kerk in haar reactionaire en onderdrukkende gestalte. Niet voor het eerst in de geschiedenis, maar daarom niet minder weerzinwekkend.”

Dat de paus Pinochet, die intussen plaats had gemaakt voor de democratisch gekozen Aylwin, maar nog als chef van de generale staf een machtsfactor van betekenis in Chili is, gefeliciteerd heeft met zijn gouden huwelijksfeest, zal ook menig rooms-katholiek op z'n minst onnodig hebben gevonden, maar De Langes ontsteltenis over het feit dat de paus in 1987 - toen Pinochet nog staatshoofd was - samen met hem op één balkon verscheen, is een typisch protestantse reactie.

De rooms-katholiek daarentegen gaat ervan uit dat de paus niet alleen hoofd van zijn kerk is, maar tevens hoofd van de Vaticaanse staat. Als zodanig ontmoette hij, op bezoek in Chili, Pinochet als gelijke en gastheer, wie hij eer verschuldigd was. Hetzelfde deed hij op zijn bezoeken aan Polen, waar hij de toenmalige machthebbers Gierek en Jaruzelski - die niet eens staatshoofd waren, maar hoofd van de communistische partij - de nodige eer bewees. Niemand zag daarin een pauselijke vergoelijking van het communisme.

Maar nog minder protestants is de gedachte dat de kerk een institutie is, die, omdat zij institutie is, pacteren moet met de wereldlijke overheden. Die overheden - de Pinochets en de Jaruzelski's - komen en gaan, maar de kerk is eeuwig. Haar komt het erop aan, haar gelovigen zo goed mogelijk door de wisselvalligheden van het temporele bestaan te loodsen. Daarvoor zijn compromissen, zelfs met de duivel, onvermijdelijk.

Dit denken is - het moet tot zijn eer gezegd worden - het protestantisme vreemd, en wanneer tegenwoordig ook steeds meer rooms-katholieken afstand nemen van dit institutionele denken, dan is dat een bewijs te meer van de protestantisering van het rooms-katholicisme, die al pater Walter Goddijn, onder andere in zijn boekje Roomsen, dat waren wij (1978), signaleerde.

Maar is dat typisch roomse denken het protestantisme inderdaad zo vreemd? Wat deed de Wereldraad van Kerken anders, toen hij steevast weigerde te protesteren tegen de schending van mensenrechten in communistische landen? Het argument was altijd: door te protesteren zouden wij het de kerken en de gelovigen daar alleen maar moeilijker maken. Een typisch "rooms' argument. (Ik heb het hier niet over die protestanten die - veel meer in getal dan rooms-katholieken - sympathie hadden voor die communistische regimes.)

De Lange eindigt zijn tirade aldus: “Intussen praat het Vaticaan op hoge toon over mensenrechten. Wanneer tonen de rooms-katholieken in de hele wereld eens dat ze van deze schijnheiligheid niet langer gediend zijn? Dat je in de kerk wilt blijven, begrijp ik wel, maar dat je je zwijgend onderwerpt aan een leiderschap van zo'n man met al zijn afschuwelijke pretenties - Stedenhouder van Christus, Heilige Vader, etc. - daarvoor heb ik geen begrip.” Amen, maar dit is een typisch protestantse manier van denken, die het rooms-katholicisme vreemd is.

Maar Pinochet blijft de gemoederen nog op een andere manier bezighouden. Want wat blijkt? Terwijl Allendes experiment het land tot de rune bracht, heeft hij Chili tot het economisch sterkste en gezondste land van Latijns Amerika gemaakt. Chileense economen zwermen nu overal uit om te vertellen hoe je een socialistische economie met succes kunt omturnen in een kapitalistische. In Rusland is Pinochet bepaald populair. Het Chileense model wordt er druk bestudeerd.

De Volkskrant, een krant die vroeger wegliep met Allende, wijdde op 17 juli een artikel aan dat Chileense succes en zijn uitstraling (ook “in Buenos Aires struikel je over de Chileense economen”). Zeker, ten minste vijf miljoen Chilenen (van de dertien miljoen) leven nog onder de armoedegrens, maar ook daarin onderscheidt het zich gunstig van de meeste Latijns-Amerikaanse staten, om niet te spreken van de ex-communistische.

De vraag rijst nu: is dit succes de tweeduizend (sommigen spreken van vijfduizend) doden van Pinochets schrikbewind waard? De vraag is voorbarig, want eerst moet de vraag gesteld worden: had Pinochet dat succes ook kunnen bereiken zonder die doden? Het antwoord is waarschijnlijk ja. Daarmee ontvalt dan aan zijn regime zelfs deze rechtvaardiging, maar blijft het een kinderbewaarplaats, vergeleken bij de communistische heilstaten met hun talloze miljoenen doden, die velen - onder wie ook protestanten! - een aanvaardbare prijs achtten voor het moois dat daar tot stand werd gebracht.