Oma

Oma

is al

vijftig

jaar met opa,

maar er is iets

wat ze langer heeft,

en waarvoor ze opa

niet wil ruilen,

maar waarom ze

toch wel heel

veel geeft.

Elke dag zit ze ernaar te kijken.

Elke dag raakt ze het ook wel aan.

Elke dag heeft ze er een probleem mee,

maar ze zorgt wel dat ze terug kan slaan.

Als ze aan het koken is, dan ziet ze

in een aardappel wel eens een paard,

sperciebonen lijken op pionnen

en een wortel is een toren waard.

Loper is dan niet iets voor de trap.

Mat geen kleedje dat je bij 'n deur vindt.

Stuk betekent niet dat iets kapot is,

maar iets wat je verliest of wat je wint.

't Gekke is: wanneer ze in haar jas loopt,

in haar zwarte, ouderwetse jas,

die van onderen wat wijder uitstaat, dat ze zelf zo in

een schaakspel past. Op de keukenvloer, die ook nog eens

toevallig vierenzestig tegels telt, stapt mijn oma dan

slagvaardig als een zwarte koningin over het veld.

MENSJE VAN KEULEN