Laconieke verhalen over de afstand tussen Surinamers en Nederlanders; De opvoeding van een kweekje

Ellen Ombre: Maalstroom. Uitg. De Arbeiderspers, 166 blz. Prijs ƒ 29,90.

In een van de verhalen van de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre doet zich een spectaculaire botsing tussen taal en werkelijkheid voor. De moeder van een klein meisje krijgt een stel ondergoed cadeau en roept enthousiast: “Een hele vleeskleurige set.” In grote verbazing vraagt het meisje zich af waarom dat ondergoed vleeskleurig wordt genoemd: “De kledingstukken hadden in de verste verte geen mensenkleur.”

De verhalen in deze bundel staan vol met dergelijke verbaasde observaties, die een vaak schrijnend beeld geven van de afstand tussen Nederlanders en Surinamers waar niet alleen de volwassenen maar ook de kinderen door in verwarring worden gebracht. Maar Ellen Ombre doet er nooit larmoyant over. Ze schrijft nuchter, soms een beetje te droog, maar iets klaaglijks komt er niet uit haar pen, wel af en toe een mooi beeld.

Ook de vele teleurstellingen waar ze over schrijft, beziet ze laconiek en van een afstand. De Surinamers in haar verhalen worden vaak teleurgesteld door Nederland dat ze kil en koud vinden, maar als ze naar Suriname terugkeren, wordt de teleurstelling soms verdubbeld en verandert de nostalgie nogal eens in verdriet en irritatie. Het land is wel warm maar de menselijke warmte die ze zich van vroeger herinnerden, is in vele gevallen afgekoeld.

Toch weet ze alles wat triest is met een grappige scène of een mooi beeld op te vrolijken. Een meisje zit met haar ouders in een primitief vakantiehuisje in Ermelo waar het onafgebroken regent. Er is een pakje kaarten en een onvolledig spel Mens-erger-je-niet. Treurigheid is troef maar als het meisje zegt dat ze 's morgens het gevoel heeft wakker te worden in een reusachtige, lege ongewassen melkfles, tilt het onverwachte beeld het verhaal ineens boven de miezerigheid uit.

Zelfs een verhaal als "Flarden', waar een klein bosnegerinnetje onder de hoede wordt gesteld van een deftige mevrouw, heeft bij alle triestheid iets uiterst komisch'. De mevrouw, die wij zien als zelfvoldaan, pompeus en vaak potsierlijk, wil een beschaafd meisje van haar maken. Ze begint met haar te laten voorlezen uit een boekje over dagelijkse hygiëne, met name over de verzorging van haar nagels: “Men begint met de nagels te vijlen wanneer ze droog en hard zijn, waarna zij geweekt dienen te worden.” Braaf leest het meisje, "het kweekje' zoals dat heette, de tekst voor. Als ze die uit haar hoofd kent, mag ze de praktijk in. In het vervolg moet zij de handen van meneer verzorgen, en misschien nog wel meer. Ellen Ombre breekt haar verhalen vaak op een spannend ogenblik af. Misschien wil ze de lezer met opzet laten zitten met de spanning die ze heeft opgeroepen - dan kan de oplossing niet tegenvallen - misschien ook gaat haar duidelijke afkeer van interpreteren zo ver dat ze vindt dat de lezer zijn eigen conclusies maar moet trekken.

Wat er aan deze verhalen autobiografisch is, is moeilijk uit te maken. Het gebeurt wel vaak dat ze in een verhaal afdwaalt en dan terecht komt bij jeugdherinneringen die volledig authentiek klinken. Ze is het best op dreef in verhalen die geen duidelijke structuur nodig hebben. "Met de Saramacca naar Suriname' is daar een van. Het is een aaneenschakeling van incidentjes, anekdotes, momentopnamen en flarden van de gesprekken die aan boord gevoerd worden. Afdwalen doet er niet toe en versterkt zelfs de indruk van kleurige rommeligheid op het schip.