Het geheugen is nog nooit zo kort geweest

Rusland stort zich hals over kop op de vrije markt. Haast is geboden en voor geschiedenis is geen plaats meer, laat staan voor een afrekening met het verleden. “Het is gek. Ik ben dolgelukkig dat we van dat ellendige communisme af zijn, maar toch heb ik het gevoel dat dit mijn wereld niet meer is”, zegt een 45-jarige Peterburgse.

Een tuin middenin Petersburg, waar moeders hun kinderen uitlaten en oude mannen op een bankje in de zon de krant zitten te lezen. In deze tuin moet het geweest zijn in 1945, dat de niet bijster snuggere journalist Randolph Churchill, zoon van een beroemde vader, zijn handen aan zijn mond zette en "Isaiah, Isaiah' schreeuwde. Het kaatste tegen de geelgesausde muren van het Fonteinhuis, eens het buitenverblijf van de graven Sjeremetjev, in 1945 een in talloze kleine appartementen opgedeeld woonblok aan de Fontanka in het zwaar door de oorlog geteisterde Leningrad. Binnen kromp Isaiah Berlin, op de thee bij Anna Achmatova, ineen. “Welke idioot!” moet hij gedacht hebben en hij stormde, een verontschuldiging tegen de dichteres mompelend, de trap af om de schreeuwlelijk in de tuin de mond te snoeren. In die jaren was het voor Russen gevaarlijk om contact te hebben met buitenlanders en Randolph doorbrak alle op dat moment geldende codes. Het liep gelukkig goed af.

De cultuurhistoricus Isaiah Berlin werkte in de zomer van 1945 een paar maanden op de Engelse ambassade in Moskou en was benieuwd of Achmatova nog in leven was. In Personal Impressions beschrijft hij hun ontmoeting: “Anna Andrejevna Achmatova was een uitermate waardige verschijning, haar bewegingen waren langzaam, ze had een nobel hoofd, mooie, ietwat strenge gelaatstrekken en een gezichtsuitdrukking van onuitsprekelijke droefheid. Ik boog - dat leek gepast, want ze oogde en bewoog als een tragische koningin -, dankte haar voor de ontvangst en zei dat mensen in het westen blij zouden zijn te horen dat ze goed gezond was, want men had jaren niets van haar gehoord.”

Sjeremetjevs tuin ligt er deze zomer een tikje verwilderd bij. Twee jaar geleden werd hier een klein Achmatova-museumpje geopend, een paar donkere kamertjes met frisgeschilderde houten planken op de vloer, wat foto's, manuscripten, boeken en schilderijen. Vanavond is er een poëzie-avond. Het zaaltje stroomt vol met stil publiek. Ik dwing mezelf alledrie de lange lezingen uit te zitten, over Mandelstam en de muziek, Boelgakov en de oplichterij en Achmatova en de muze, want ik kom voor de voordrachtskunstenares.

Eindelijk breekt het moment aan waarop de tsjtitsa ("lezeres') binnenschrijdt. En ja hoor: zwartfluwelen décolleté, een bloem in het haar, zwaar opgemaakte ogen, een peinzende blik en een stem als een gebarsten klok. De dame is actrice van het Petersburgse Grote Dramatheater. Tijdens de performance speelt ze achteloos met een zwarte rozenkrans. Op tafel staat een witte lelie. Zij schraapt haar keel, slaat kort haar ogen neer en begint met het beroemde jeugdgedicht 's Avonds uit 1913. “In de tuin weerklonk muziek/ Met een pijn die niet is uit te drukken/ Fris en zilt roken naar zee/ de oesters op de schaal met ijs.// Hij zei: ik ben je echte vriend/ en streelde eventjes mijn jurk/ De aanraking van deze handen/ Heeft niets gemeen met een omhelzing.// Zo aait men vogeltjes of poes/ Zo kijkt men naar een slanke amazone.../ een lach slechts in zijn kalme ogen/ onder het lichte goud van wimpers.// En achter de krinkelende rook/ zingen de stemmen van droeve violen/ "Prijs de hemelen - je bent/ voor 't eerst alleen met je geliefde'.”

Het publiek zucht zacht, een enkeling murmelt mee op de cadans. 't Is mooi. De actrice pauzeert even en de stem zwelt weer aan. Het ene gedicht na het andere. Over de liefde, mannen, vrouwen en verraad. Over de muze. Over de oorlog. En net als haar ouderwetse pathetiek me op de zenuwen begint te werken, leest ze uit Requiem, Achmatova's lang verboden gedicht over de Stalinterreur, waarin ze het uitschreeuwt over de uren dat ze met honderden andere Russische vrouwen vergeefs voor de gevangenispoort stond te wachten op nieuws over haar gearresteerde zoon.

“Hier leerde ik hoe gezichten krimpen/ Hoe angst vanonder oogleden loert/ Hoe lijden wrede bladzijden/ met spijkerschrift in wangen kerft./ Hoe asblonde lokken en lokken van git/ plotseling verbleken tot zilverwit./ De glimlach verwelkt op onderdanige lippen,/ en hoe vrees in een droog lachje trilt./ En ik bid niet alleen voor mijzelf,/ maar voor allen, die daar met mij stonden/ in de barre kou en de julihitte/ onder die rode blinde muur.”

Stilte. Achter mij begint een oude man zacht te snikken. Ik spits mijn oren maar durf niet om te kijken. Aan welke omgekomen geliefde zou hij denken? Er hangt geschiedenis in de zaal. De ontroering elektriseert het publiek. Buiten raast de nieuwe stad en daar heeft het geheugen nog nooit zo kort geleken. De actrice zwijgt en buigt, iemand uit het publiek biedt haar bloemen aan. In de tuin van Sjeremetjev zingen vogels. Het is half elf, maar dankzij de Witte Nachten zal het vannacht nooit helemaal donker worden.

Mafia

De volgende ochtend spreek ik Venjamin Joffe, voorzitter van de Petersburgse afdeling van Memorial, de vereniging van slachtoffers van het stalinisme. Hij is groot en welbespraakt en heeft zelf om iets onbenulligs in een kamp gezeten. Wie interesseert dat nou nog, die mensenrechten van u, vraag ik hem. Niemand, zegt hij berustend. Kijk, legt hij uit, vlak na de staatsgreep voelde de KGB zich in het nauw gebracht. Even leek het erop dat schoon schip gemaakt zou worden, maar inmiddels heeft ze zich opnieuw breed gemaakt. In Petersburg is het hoofd van het nieuwe ministerie voor staatsveiligheid een man die carrière heeft gemaakt met de vervolging van dissidenten. Toen Joffe hierover bij burgemeester Sobtsjak zijn beklag kwam doen, sloeg die zijn handen in elkaar en zei: had ik dát eerder geweten! Sobtsjak danst al helemaal naar hun pijpen, aldus Joffe. Maar u wordt toch niet meer vervolgd? vraag ik. Nee, knikt de grijsaard, de KGB is niet zo dom meer dat ze andersdenkenden vervolgen. Dat levert toch niks op? Ze jagen nu met iedereen achter het grote geld aan en ze noemen dat de strijd met de georganiseerde misdaad! Nee, vervolgd worden we niet, maar niemand laat zich nog iets aan ons gelegen liggen. De tekenen bedriegen niet. Memorial vecht nog steeds voor rehabilitatie van slachtoffers van de KGB. Deze week kreeg Joffe de eerste formele afwijzing op een rehabilitatieverzoek. Zonder opgaaf van redenen. Dat bevalt hem niks.

Die strijd met de georganiseerde misdaad is volgens velen trouwens al verloren. De mafia is in het machtsvacuüm gesprongen en voelt zich daar als een vis in het water. Het is de klassieke Amerikaanse of, zo u wilt Italiaanse variant en het is, zegt een vriend die een garage heeft, allemaal de schuld van de regering. Privébedrijven worden gewurgd met draconische belastingen, die niemand wil betalen. Dus geeft iedereen fictieve inkomsten op en daarom is er veel cash zwart geld in de bedrijven. De mafia hoeft maar te innen. Mijn vriend heeft twee Russische racketeers opgedrongen gekregen, die twintig procent van alle inkomsten eisen in ruil voor protectie. Er is geen ontkomen aan, maar het werkt wel, zegt mijn vriend. Als hij problemen heeft met een klant die de rekening niet wil betalen, staan ze in 10 minuten op de stoep, maken in het kantoor een babbeltje met de onwillige klant en het probleem is opgelost. Van de politie hoef je zulke bescherming niet te verwachten.

Rusland stort zich hals over kop op de vrije markt. Het is begrijpelijk, want er is heel wat in te halen. Haast is geboden en voor geschiedenis is geen plaats meer, laat staan voor een afrekening met het verleden. De knop is om. “Het is gek,” zegt een vriendin van 45 jaar, “ik ben dolgelukkig dat we van dat ellendige communisme af zijn, maar toch heb ik het gevoel dat dit mijn wereld niet meer is. Ik kan die bocht niet meer maken. Ik kijk naar die nouveaux riches in hun dikke mercedessen, naar die mafiosi in hun leren jasjes, naar die agressieve kerels, die hun racket-geld komen innen, naar al die kiosken waar je Italiaanse champagne kunt kopen. Ik zie die pornopulp, die overal wordt aangeboden. Ik weet dat het moet en ik weet dat het goed is, maar het staat me niet aan. Het is mijn wereld niet meer.”

Haar wereld was de besloten wereld van de kleine Russische keuken, waar gelijkgestemden zich verschansten tegen de boze buitenwereld. De Oblomoviaanse wereld van de eeuwig peinzende intellectuelen, die zich door het systeem tot een niet onaangename lethargie lieten verlokken. Ook Achmatova was er dol op: “Ja, 'k had ze lief, die nachtelijke sessies,/ De ijsbeslagen glazen op de kleine tafel,/ De fijngeurende stoom boven de zwarte koffie,/ De zware winterhitte van de rode haard,/ De bijtende vrolijkheid van een literaire grap,/ En de eerste hulpeloze, afgronddiepe blik van een vriend.”

Hun tijd is voorbij, het jachtseizoen is aangebroken.