Het begin is altijd het moeilijkst; Het eind ook trouwens

Als de oorlog niet was uitgebroken, hadden we misschien een schrijver minder gehad. Bert Schierbeek had nooit serieus overwogen een boek te schrijven voordat hij begon aan zijn roman Terreur tegen terreur, die vlak na de oorlog verscheen. Daarin gaf hij lucht aan zijn verdriet over het verlies van zijn vriendin en aan zijn afschuw van de oorlog. “Ik weet nog goed dat ik achter een vel papier zat en dacht: Ik begin aan een boek.” Daarna is hij gewoon doorgegaan. Vijfenveertig jaar later schrijft Schierbeek nog steeds. Volgende maand verschijnt zijn nieuwe dichtbundel De zichtbare ruimte.

“Op mijn leeftijd moet je voorzichtig zijn met bepaalde uitspraken”, zegt Bert Schierbeek grijnzend. Onlangs vierde hij zijn vijfenzeventigste verjaardag. Namen noemt hij liever niet, maar hij wil wel kwijt dat het werk van jonge schrijvers hem vaak ouderwets voorkomt. “Er wordt te weinig ontdekt, vind ik. Bijna alles gaat terug op wat er al was.”

De tijd van het experiment lijkt voorbij.

“Misschien wel. Behalve op wetenschappelijk gebied. Daar wordt van alles geëxperimenteerd. Ik zou het erg dom vinden als dat in de literatuur niet meer gebeurt. Ik geloof ook niet helemaal dat het zo is. Het zal er op het ogenblik misschien niet uitkomen, maar voor mij - en nu ga ik het even mooi zeggen - is het experiment een moreel en filosofisch postulaat. Als je niets nieuws meer onderneemt, wat zou je dan nog? Zelfs aan een eenvoudig gedichtje probeer ik toch nog een draai te geven alsof er iets aan de hand is.”

Zou een mens, volgens u, altijd iets moeten willen ontdekken?

“Ik kan me die metselaar goed voorstellen, die tegen de oude Rietveld zei: ”God meneer, ik wou dat de wereld klaar was!' Dat een metselaar genoeg krijgt van het stapelen van stenen, dat kan ik begrijpen, maar een auteur mag zoiets niet zeggen, vind ik. Voor hem is de wereld nooit klaar. Zo eindigt Het Boek Ik ook: ”De wereld is nog nooit getekend'. Als je kijkt naar alle boeken die al geschreven zijn, dan vraag je je al gauw af of er nog en boek bij moet en waarom. Maar als ik dan mijn eigen boeken bij elkaar zie, dan ben ik er toch wel blij mee.”

Bent u geneigd tot nostalgie?

“Nee. Ik ken dat verlangen niet naar iets dat je toch niet op dezelfde manier als vroeger kunt herbeleven. Ik denk dat je daar weinig aan hebt. Of wel soms?”

Dat klinkt erg rationeel.

“Dat is zo, ja. 't Is een beetje raar gezegd, maar ik vermoed dat je er niet veel verder mee komt, met nostalgie. Ik denk niet dat je daardoor iets gaat ontdekken of doen. Het is eerder een tegenkracht. Er zijn veel mensen die uit nostalgie schrijven, ook heel grote schrijvers. Het is natuurlijk wel zo dat het verleden het enige is dat we hebben. Over de toekomst kun je prachtige gedachten hebben, maar toch alleen uit het perspectief van het verleden. Zo bezien is het wel belangrijk om daarin te wroeten. Proust heeft niet voor niets zijn Recherche geschreven. Het is van hem een heel redelijke en goede gedachte dat je er op die manier achterkomt hoe het precies in elkaar zat.”

Vindt u dat de mens teveel geneigd is tot sentiment?

“Waarom zou ik? Nee hoor. Ik denk wel dat mensen heel veel uit opwelling en sentiment doen, hoewel ze toch niet direct spontaan zijn. De mensen zijn heel erg voorgeprogrammeerd. Het is hun verteld dat je op deze dingen zus en op die dingen zo moet reageren. Pas als het helemaal misloopt, sla je elkaar de hersens in. Dan pak je een bijl, of zoiets, of je gaat ineens iets heel anders doen, iets leukers.”

U hebt wel eens gezegd dat mensen vreselijk lui zijn.

“Ik geloof dat dat iets heel essentieels is. Neem alleen al het lichaam. De rechtervoet heeft de neiging rechtervoet te zijn omdat het met de rechtervoet goed gaat. Rechtervoet eerst, linkervoet erachteraan. Behalve als je links bent, want dan gaat het andersom. Het lichaam wenst zo min mogelijk overbodige inspanningen te doen, want het moet nog zo lang mee. Dat is een wonderbaarlijk iets: het lichaam groeit en blijft toch altijd hetzelfde. Dat loopt maar door en meent de tram te moeten halen en zo.

Het leven heeft iets conservatiefs. Het is een wezenlijk bestanddeel van het leven om te willen houden wat je hebt. 't Is eigenlijk veel merkwaardiger om iets nieuws te willen. Als je onbewegelijk bent, slijt je ook minder. Aan iemand als Nietzsche die de filosofie predikt van gevaarlijk leven, hebben de meesten geen boodschap.''

En hoe zit dat met uzelf?

“Ik beweeg wel graag een beetje. Het leven zelf is in feite al één groot risico. Ik kan me daar niet aan ontrekken en ik heb ook teveel ondernemingslust om dat te willen. Anders blijf je maar zitten als een zak zout.”

Bestaan er ook luie lezers die liever een gemakkelijk verhaal lezen dan bijvoorbeeld moeite te doen voor uw ”proëzie' zoals u het zelf wel eens hebt genoemd?

“Vast wel, ja. Ik lees zelf ook wel graag een leuk verhaal, trouwens. Daar is ook niets op tegen, op verhalen schrijven, al zeg ik dat wel eens een keer boos. Dat moeten ze zelf weten. Iemand als Maarten 't Hart - waar ik verder niets tegen heb - vind ik een vrij vervelende schrijver, maar dat mag allemaal best van mij.

Ik vind wel dat er een algemene neiging bestaat binnen de Nederlandse literatuur en de kritiek om 't Hart eerder binnen te halen dan iemand die vreemde dingen doet.''

Ik denk niet dat Maarten 't Hart het eens is met deze voorstelling van zaken. Integendeel zelfs. Volgens hem wordt ”moeilijke' literatuur binnengehaald en de verhalenverteller met de nek aangekeken.

“O ja? Ik sprak inderdaad ook een keer een verhalenschrijver die zich voortdurend miskend voelt. Ik zeg: ”Man, je hebt enorme oplagen en je wordt als een gek verkocht. Wat wil je nog meer?' Maar hij wou erkend worden door de critici met grote stukken in de krant.”

Voelt u zichzelf niet miskend?

“Nee, nee. Die boeken van mij worden in een redelijke oplage verkocht. Dat ik een bestseller zou kunnen schrijven, een boek dat als een ontploffing in de literatuur valt, dat is nog nooit bij me opgekomen. Ik ken mijn zwakheden, maar ik weet ook wat ik waard ben. Ik denk dat ik een goede opvoeding heb gehad bij mijn grootmoeder in Groningen.”

Episodes uit uw kindertijd, erg mooie en grappige episodes, hebt u snippersgewijs verwerkt in verschillende boeken, onder meer in Weerwerk, Binnenwerk en Betrekkingen. Als u over uw jeugd nog eens een echt, lang verhaal zou schrijven, dan zou dat wel eens flink kunnen inslaan.

“Dat zou best eens kunnen. Daar denk ik wel eens over na om zo'n boek te schrijven. Waarom zou ik dat eigenlijk niets eens doen? Je maakte van alles mee. Ik reisde wel eens naar opa Schierbeek in Ter Apel. Dan ging ik met de trein naar Almelo, Mariënberg, Coevorden, Weerdinge en vervolgens met de IDS, de eerste stoomtram langs die turfgebieden. 's Avonds op de terugweg had je een mooi uitzicht, want de Hondsrug lag hoger. Dan stonden er lokomobielen voor die turftrappers. Dat was fantastisch om te zien, en heel vreemd, die vuren. Koos Schuur heeft er een beroemd gedicht over geschreven dat die hele atmosfeer goed weergeeft: ”Herfst, hoos en hagel'.

Mijn grootmoeder was een bijzonder mens, die het leven een heel eigen tint gaf. Ik had ook een oom, oom Koos, die ook niet tot de doorsnee behoorde. Hij las uit zichzelf De tuinen van Zen, dat boekje dat ik in 1959 schreef over het Zen-boeddhisme. Dat vond hij interessant.''

Waarom, denkt u?

“Misschien omdat het Zen-boeddhisme behoorlijk aards en nuchter is. De Zen-boeddhist onderscheidt zich van de Mahayane- en de Hinayana-boeddhist. Zij reciteren sutra's en zitten voor de Boeddha; dat is een soort bidden. Zegt de Zen-boeddhist tegen zo'n biddende man: ”Wat ben jij daar aan het doen?' De man antwoordt dat hij bezig is Boeddha te worden. De Zen-boeddhist gaat naast hem zitten en wrijft twee stenen langs elkaar. Daar wordt die man flink door gestoord. ”Wat doe jij nou?' vraag hij geërgerd. ”Ik wrijf net zo lang totdat het twee spiegels zijn.' ”Dat zal je nooit lukken'. ”Nou', zegt de Zen-boeddhist, ”zo zal het jou nooit lukken om Boeddha te worden'.

Een ander verhaal gaat over een meester en een leerling. Een leerling treft zijn meester voor een Boeddha-beeld aan. ”Maar meester', zegt hij, ”wat is dit nou, dat had toch geen zin?' ”Ach', zegt de meester, ”maar ik ben oud en ik ben het nu eenmaal zo gewend.' Onvoldaan gaat de leerling naar huis. De volgende dag komt hij terug en ziet hij nog net dat de meester zijn houten Boeddha-beeld in het vuur smijt. ”Meester, wat doet u nou weer!' ”Vandaag heb ik het koud', zegt de meester.

Het is het voortdurend ontregelen van standpunten en gedachten en een poging om alles tot nul, tot een soort leegte terug te brengen. Het Zen-boeddhisme is geen religie, maar een leer, een bevrijdingsleer.''

Is er iets mystieks aan het Zen-boeddhisme?

“Het gaat uit van de gedachte dat alles met alles samenhangt.”

Denkt u dat de wereld samenhangt?

“Dat is de grote vraag. 't Kan natuurlijk net zo goed allemaal van los zand zijn. Ik durf daar geen uitspraak over te doen. Het Zen-boeddhisme is geen waarheid, maar een handvat, een middel om, mocht het zo zijn, misschien samenhang te ontdekken of juist te ontdekken dat er geen samenhang is.”

Uw eerste roman, Terreur tegen terreur, die in 1945 verscheen, is ontstaan uit woede en afschuw over de oorlog. Zou u zijn gaan schrijven als er geen oorlog was geweest?

“Dat is inderdaad de vraag. Want voor die tijd had ik niet de minste neiging om schrijver te worden. Ik wou altijd wel graag iets maken. De oorlog heeft daar een grote duw aan gegeven. Jongens waarmee je samen had gewerkt, werden gefusilleerd. Dat was iets dat ik kwijt moest. Ik heb er ook nooit spijt van gehad.”

En daarna bent u doorgegaan.

“Dat is raar hè. Dan heb je blijkbaar ontdekt dat je kunt schrijven. Ik weet nog goed, ik schreef toen nog met een pen, dat ik achter een vel papier zat en dacht: nu begin ik aan een boek. Een heel merkwaardige ervaring.”

Het is opmerkelijk dat u als Vijftiger in de jaren vijftig alleen experimenteel proza hebt geschreven en geen poëzie. Geen echte poëzie althans. Pas in 1972 verscheen De deur, uw eerste dichtbundel.

“In die tijd was ik geen echte dichter, nee. Dat ik meteen tot de Vijftigers werd gerekend, had ook te maken met het feit dat ik in hetzelfde huis woonde als Lucebert en dat ik ook veel contact had met die andere jongens.”

Gaat u verschillend te werk bij het schrijven van poëzie en wat ik nu maar even proza noem?

“Dat gaat heel anders, ja. Als ik een boek maak, een boek als Inspraak bijvoorbeeld, dan ben ik daar altijd al lang mee doende geweest. Dan heb ik van alles verzameld en op een bepaalde dag ga ik zitten. Het begin is altijd het moeilijkst. Het eind ook, trouwens. Ik moet een patroon verzinnen waardoor alle losse elementen in een geheel vallen. Met dat patroon moet je het doen. Ik weet nog goed hoe dat ging met De gestalte der stem, een nogal poëtisch boek. Tijdenlang had ik het idee dat er weinig mensen zijn die een stem horen, maar velen die hem maken. Dat is de basis geweest. ”Ik beweeg mij nu in de gestalte der stem', zo begint het. Dat vind ik nog altijd een vondst. Als ik aan zo'n boek werk, dan is dat meer een breiwerk terwijl het schrijven van een gedicht een flitsend iets is.”

En hoe komt een gedicht tot stand?

“Dat vroeg mij ook een keer een jongetje, een scholier uit Hoogeveen, toen ik moest voorlezen op een middelbare school daar. Hij zat ergens boven in de zaal, een heel klein jongetje en hij zei: hoe gaat dat nou, zo'n gedicht? Kom maar eens naar beneden, zei ik. Toen las ik hem dit gedichtje voor, uit In- en uitgang:

je loopt

de bladeren vallen

(de weg is niet effen

het grint knarst)

ik hoor je zeggen

't is herfst

de bladeren vallen

het grint knarst

Ik heb geprobeerd uit te leggen dat het om de herhaling gaat die in het gedicht zit. 't Is eigenlijk gewoon goed luisteren, zei ik, en horen wat andere mensen zeggen en wat er om je heen gebeurt. ”O', zei het jongetje.''

In uw werk lijkt alles om communicatie te draaien. Steeds zijn er mensen aan het woord.

“Dat is ook een beetje een truc om het verhaal aan de gang te houden. 't Is een middel om alles met elkaar te kunnen verbinden. Veel van wat ik opschrijf heb ik gewoon gehoord. Gewone mensen - die overigens niet bestaan - zeggen vaak de mooiste dingen.”

Is het de taak van de schrijver om stem te geven aan de wereld?

“De taak, de taak... Als je niets noteert van wat er om je heen wordt gezegd, dan is het weg. Doe je dat wel, dan blijft het nog een beetje bestaan, dat is wel waar. Ik denk dat schrijvers doorgevers van ervaringen zijn. Je bent er op uit iets te vinden waar je wat mee kunt beginnen. Want als je er niet achteraan zit, dan gebeurt er niets.”

Wat heeft het te betekenen dat het altijd waait in uw boeken?

“Is dat zo? Dat is mij nooit zo opgevallen. Het waait veel, zeker in Nederland, maar eigenlijk waait het bijna overal waar ik kom. Wind verplaatst iets, wind is beweging. Je zou de wind kunnen zien als een symbool van bewegelijkheid.”

je oren te luisteren leggen

in de bergen de trillingen

noteren van de pas ontloken

bloem die distel in je voet

het wild aan de flanken en

de wind waait in je haar op als

stof en alles vertalen in

geluid de krekels de ezels

ja en nee en hier en daar

een schorre eenzaamheid

op de tong van de man

aan de flank van de berg

weerkaatst een verhevigd

verlangen: een verre vesting

om in te wonenUit: De zichtbare ruimte,verschijnt augustus 1993 bij uitgeverij De Bezige Bij

Bert Schierbeek werd geboren op 28 juni 1918 in Glanerbrug. Zijn moeder stierf vlak na zijn geboorte. Tot zijn elfde werd hij opgevoed door zijn grootouders in Beerta, Oost-Groningen. Daarna woonde hij bij zijn vader en stiefmoeder in Boekelo. In 1941 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij nog steeds woont. Hij maakte veel reizen. Een groot deel van zijn werk schreef hij op het Spaanse eiland Formentera, waar hij een huis heeft. In 1945 debuteerde hij met de roman Terreur tegen terreur, maar bekend werd hij met Het Boek Ik (1951), het eerste experimentele prozawerk in Nederland. Zijn prozagedichten, zoals ze wel worden genoemd, zien er weinig gestructureerd uit, maar zijn samenhangender dan men zou vermoeden. Het Boek Ik vormt een trilogie met De andere namen (1952) en De derde persoon (1955), zoals de De gestalte der stem (1957) hoort bij Het dier heeft een mens getekend (1960) en Ezel mijn bewoner (1963).

Poëzie ging Schierbeek pas later schrijven. Op De deur (1972) volgden onder meer In-en uitgang (1974) en De tuinen van Suzhou (1986).

Naast poëzie en proza schreef hij nog essays, toneelstukken en reisboeken.

Op dit moment zijn van Schierbeek nog leverbaar zijn laatste trilogie Weerwerk (1980), Binnenwerk (1982) en Betrekkingen (1983), en de romans Een grote dorst, Door het oog van de wereld, en Inspraak. Dichtbundels die nog leverbaar zijn, zijn De Deur, Vallen en opstaan, Formentera, De tuinen van Suzhou en In- en uitgang. Zijn nieuwe bundel De zichtbare ruimte verschijnt eind augustus. Alle boeken zijn uitgegeven door De Bezige Bij.