Gea

Schransend de ondergang tegemoet kan ook.

En dus werd er in Andorra maar een mosselfeest gehouden. Voor journalisten, volgers, sponsors en een enkele renner. De regie was in handen van TVM. We hebben dan wel geen renners meer maar de mosselen zijn groter dan ooit, dachten Bos en Priem. De mossel als residu van nationale trots: het was een treurig schouwspel, daar in Andorra. Een lugubere exponent van armoe.

Zelfs Peter Post was prominent aanwezig op het Borgia-feest van de concurrentie. Een misverstand dat vroeger niet had gekund. Peter stond er wel mooi bij: in blauwgestreepte korte broek en witte mocassins, een en al zwier en elegantie. De mondhoeken vredig als een kunstlederen foto-album waarin alles zorgvuldig is bewaard. Post maakt zich niet druk meer over die stoethaspels van renners met meer oorbel dan benen. Hij kent de binnentaal van de Tour nog als geen ander, voelt de sociale temperatuur van het peloton maar de oude ploegleider heeft geen zin meer in de rol van catastrofe-filosoof. Hij weet dat de eeuw op raakt, voor iedereen. Post zoekt nu een andere graal, een dieper geluk. In extremis.

Gerben Karstens slalomde ook vrolijk van portie naar portie. De grootste bek van het hele mosselgezelschap. Even theatraal met de mond als destijds met de kwak. De Karst heeft intussen geleerd dat het echte leven niet bestaat en swingt daarom maar wat tussen de schuifdeuren van toeval en noodlot. Ongeleid en dapper, zoals hij vroeger naar de meet suisde.

Aan alles kun je nog zien dat hij ooit een sprintkanon is geweest, dat hij heeft gefietst op de kracht der zotheid. Hij slurpt de mosselen zoals hij vroeger uit het wiel kwam: besprongen door begeerte. Zo zijn sprinters, hun leven voltrekt zich altijd en overal boven de maat der dingen.

Klimmers hebben dat veel minder. Deze jongens zijn eenvormig met de groep, saai en braaf. Vlamingen. Alleen als de lucht dunner wordt, fietsen ze ineens in een ander lichaam, Griekser, subtieler. Dan scheppen ze een helderheid van hen alleen.

Post en Karstens: metaforen uit de tijd toen Nederland nog een gerespecteerde wielernatie was. Ze zijn er niet meer, vandaag. Bouwmans zucht al de hele Tour dat hij niet meer weet van welk land hij is, zo snel wordt er gefietst. Van Poppel haakte na welgeteld drie massasprinten af, uitgedoofd als sissende zwavel. Erik Breukink is ook gezellig thuis, tendinitis aan de knie.

Of zit het misschien in de kop? Het is altijd wat met de kampioen van Nederland. Besmette kip, intralipid, kniepijn... Indurain hoor je niet over dit soort triviale ongemakken. Die beukt gewoon door, met of zonder steenpuist tussen scrotum en anus.

Tijdens de eerste rustdag, in Lac de Madine, wist ik al dat Breukink ook deze Tour niet uit zou rijden. Knetterend als een verroeste dynamo hing hij over Gea. “Wat doe ik hier eigenlijk nog?”, kreunde de gedoodverfde Tourwinnaar. “Ik wil naar het Heineken Open, met Marco en S⊘ren.”

Gea krulde hoog op uit de dodelijke leegte van het Franse plattelandshotelletje. “Geen gezeur, man. Trappen, doorgaan. Chiappucci en Bugno hebben ook een gat in de benen. Stel je niet zo aan, verdomme.”

Een atoom later brandden haar ogen van spijt voor de gespeelde furie. Ze raakten elkaar even aan, Breukink en zijn vrouw. De touch van sneeuwvlokjes. “Je bent wat voller in je gezicht geworden,” zei hij. Gea knikte en glimlachte. Ze draaide haar warme weelde nog een keer mooi rond als wilde ze zeggen: “Hier is de jachthaven, zeil maar naar binnen, jochie van me.” Ik zag hoe de geplaagde renner verdronk in een kuuroord-achtige Sehnsucht.

Ach, profwielrenner. Vroeger was dat het monopolie van de plattelandsjongen. Zo aten ze, zo spraken ze, zo gingen ze ook met hun vrouw om. De roep van de hark was er altijd. Jongens met appelwangen. Breukink, Nijdam, Mulders... het geluid van klompen is ver weg. Het Nederlandse wielerpeloton is stad geworden: hoogkruizige jeans, oorbellen, hoog opgeschoren nozemkoppen. Alleen de rose mond - die vlezige perzik - van Leontien van Moorsel ontbreekt nog.