Een altijd sluimerend besef van vergeefsheid; Gedichten van Craig Raine

Craig Raine: De ui, herinnering. Gedichten vertaald door J. Eijkelboom. Uitg. De Arbeiderspers, 112 blz. Prijs ƒ 34,90.

Wat is de overeenkomst tussen een waterzuiveringsinstallatie en een tape-recorder? De Engelse dichter Craig Raine zet ze naast elkaar in zijn gedicht ”Een wandeling op het land': ”een waterzuiveringsinstallatie// als een tape-recorder/ welks zwarte spoelen/ dag en nacht draaien'. Dit lijkt mij, na lang nadenken, de oplossing: vanuit de lucht gezien hebben de grote, met zwart, dag en nacht langzaam ronddraaiend water gevulde bassins wel iets weg van de langzaam draaiende zwarte spoelen van een tape-recorder.

In de poëzie van Raine wemelt het van dergelijke verrassende beelden. Saxofoons worden vergeleken met zeepaardjes. De stengel van een roos is met haaievinnen bezet. De op elkaar gezette lege eierschalen bij het ontbijt doen denken aan een stapeltje cricketcaps. Een brug met klinknagels heeft kippevel. Vanuit het vliegtuig naar Belfast zien de schepen in de Ierse Zee eruit als ”weeffouten in een grote lap donker linnen', Belfast zelf als ”een radio, de achterkant eraf gerukt'.

Raine zorgde aan het eind van de jaren zeventig in Engeland voor een kleine sensatie met zijn eerste twee bundels, The Onion, Memory (1978) en A Martian Sends a Postcard Home (1979). In het titelgedicht van zijn tweede bundel is een Marsbewoner aan het woord. Hij is op aarde beland en schrijft een briefkaart over wat hij hier zoal aantreft. Zo wordt het vertrouwde weer vreemd, met humoristisch effect. Hij ziet ons van tijd tot tijd gebogen zitten over een soort kunstvogels met vele vleugels en hij merkt op dat deze namaakdiertjes onze ogen soms doen smelten of ons lichaam laten gillen zonder dat we pijn hebben. ”Ik zag er nooit een vliegen, maar/ soms strijken zij neer op de hand.' Dat wij deze kunstvogels boeken noemen, weet hij niet. Op dezelfde manier wordt zijn familie op Mars ingelicht over mist, regen, horloges, klokken, toiletten en over rare dingen van blik die wij auto's noemen: ”een kamer met het slot van binnen -/ een sleutel wordt omgedraaid om de wereld/ in beweging te brengen'. Het huilende spook dat door ons gekoesterd en gekieteld wordt, moet wel de telefoon zijn: ”In huis slaapt een behekst apparaat/ dat snurkt als je het oppakt./ Als het spook huilt brengen zij het/ aan hun lippen en soezen het in slaap/ met geluiden. En toch maken ze het/ wakker, expres, met gekietel.' Aan het eind van de dag ziet hij ons het volgende doen:

's Avonds, als alle kleuren sterven,

verstoppen zij zich paarsgewijs

en lezen over zichzelf -

in kleur, met hun oogleden dicht.

Zijn we bij het bedlezen door slaap overmand? Bedrijven we de liefde met de ogen dicht? Dromen we in kleur over onszelf? Of zijn we daar op de bank voor de buis in slaap gevallen? Het aardige van het gedicht is dat we het aan het eind ook niet meer weten en met een even verwonderde blik naar onszelf kunnen kijken als de Marsman.

Vervreemding, met nieuwe ogen naar de vertrouwde werkelijkheid kijken, humor, raadselrijm: dat zijn de ingrediënten van de poëzie van Raine. J. Eijkelboom stelde een mooie, brede bloemlezing samen uit zijn drie bundels, aangevuld met drie nog niet eerder gebundelde gedichten. Uit Raines derde bundel Rich (1984) vertaalde hij ook het lange, prachtige prozastuk ”Een zilveren plaat', waarin Raine zijn jeugdjaren in Noord-Engeland beschrijft. De originele tekst van de gedichten is ook opgenomen, zodat we mee kunnen lezen en ons af en toe kunnen verwonderen over een vreemde formulering (Jij naait een jurk dicht, You sew up a dress), een al te letterlijke vertaling (natuurs ivoren mandoline, nature's ivory mandolin) of een slordigheidje (back gelezen als black, waardoor er opeens zwarte servetten in een gedicht verschijnen).

Eijkelboom voegde een kort nawoord toe, waarin hij memoreert dat Raine met zijn Marsman-gedicht de naamgever werd van ”The Martians', een groep dichters die op een vergelijkbare manier probeerde de vertrouwde werkelijkheid te bekijken. Raine dreigde zo de dichter van één gedicht te worden, met maar één perspectief: het oog van een buitenaardse bezoeker. Zo buitenissig zijn Raines waarnemingen ook weer niet. Eenzelfde onbevangen houding is bij kinderen te vinden of bij volwassenen die hun kinderlijke nieuwsgierigheid hebben bewaard - bij sommige dichters bijvoorbeeld. Ik moest bij het lezen van Raine vaak aan dichters als Vroman, Van Geel, Smit, Otten, Ghyssaert en Leenders denken, of aan de geest van het tijdschrift Barbarber, samengevat in het bekende devies van K. Schippers: ”Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is'. Voor wie goed kijkt, is de zogenaamde werkelijkheid al interessant genoeg. Hij kan, zoals Raine, ”dagelijkse dingen' beschouwen als ”objecten in het museum van gewone kunst'. Deze belangstelling voor de alledaagse werkelijkheid en voor de vergelijking als dichterlijk middel bij uitstek is van alle tijden. Eijkelboom verwijst in zijn nawoord ook naar een zeventiende-eeuwse dichter als John Donne, met wie Raine een voorkeur deelt voor de conceit, de bizarre, vergezochte, ver doorgevoerde vergelijking.

De bezorgde vraag bij dichters als Raine is altijd of er onder de verbluffende buitenkant wel genoeg diepte schuilgaat. Inderdaad biedt hij geen moraal en ook nauwelijks troost, geen pasklare filosofie en ook bijna geen echte lyriek. De op het eerste oog wat merkwaardige titel De ui, herinnering is ontleend aan een gedicht waarin de dichter tijdens het uien snijden geplaagd wordt door weemoedige herinneringen. Het is kenmerkend voor Raine om buiten- en binnenkant zo samen te brengen en vervolgens in het midden te laten of het nu de ui dan wel de herinnering is die de tranen doet vloeien: ”Het is de ui, de herinnering,/ die mij doet huilen.' Voor wie er gevoelig voor is schuilt er onder zijn vele vondsten genoeg ”diepte' in de vorm van humor, ontroering, weemoed en een gevoel van zinloosheid. ”Rijk' is een mooi portret van een rijke dame, maar het is vooral haar geestelijke armoede en eenzaamheid die blijft schrijnen. ”In de Kalahari-woestijn' is bijna een cabaret-nummer met een hilarische ontknoping, maar toch schemert door alle grappen de treurigheid heen.

Het lijkt alsof Raines aandacht voor de buitenkant vooral iets moet bedwingen: een onderhuids aanwezig, altijd sluimerend besef van vergeefsheid. Een onderwerp als ”In het mortuarium' biedt aanleiding genoeg om eens diep in de voorraad bizarre vergelijkingen te tasten. Raine laat zich die kans aanvankelijk niet ontnemen. De lichamen liggen er op de marmerplaten bij ”als zachte kazen'. De zaalknecht heeft ondanks de kou ”een telraam van zweetdruppels op zijn voorhoofd'. De tepels van een opgebaarde vrouw hebben de kleur van ”terracotta'; zij doen denken aan ”rondjes om banden te plakken'. Maar aan het eind neemt het gedicht een wending, met deze vergeefse passage: ”Ergens anders, niet hier, weet iemand/ dat haar haar verkeerd is gescheiden// en geeft om deze spinnewebben/ in de hoeken van haar lijf.' Het verdriet wordt zorgvuldig buiten het gedicht gehouden. Het is ”ergens anders, niet hier' - maar daardoor des te aanweziger.